Toen ze nog een klein meisje was, vond ze haar neus te groot. Ze bedacht een plan: ze zou zich laten vallen op de hoek van het ouderlijk bed, waar een gemene harde punt aan zat. Dan moest haar neus geopereerd worden en daarna zou ze mooi zijn en het leven beter. Het plan mislukte jammerlijk; het leverde haar, behalve een flinke jaap in haar wang, een pak slaag op van haar moeder. Het is een kenmerkende anekdote uit het leven van Marina Abramović, de koningin van de performancekunst. Haar leven wijdde ze aan de extreme blootstelling van haar lichaam en geest aan de meest vreemdsoortige experimenten, om er kunst van te maken.

Ze vroeg de al even legendarische theaterregisseur Robert Wilson om een voorstelling te maken over haar leven. De voorstelling ging vrijdagavond in première in een overvol Carré, in het bijzijn van koningin Beatrix. Wilson maakte een aantal tableaus vivants van belangrijke momenten uit het leven van Abramović, subliem uitgelicht en traag voorbijtrekkend. Een mooi plaatjesboek, in hypnotiserende slow-motion.

Het verhaal van haar leven wordt verteld door steracteur Willem Dafoe, die enigszins opzij van de scène, te midden van krantenknipsels of dozen met rommel, een keuze maakt uit hoogte- en dieptepunten van haar leven, soms geïllustreerd met zwartwit foto's of filmpjes. Defoe doet met zijn wit geschminkt gezicht en rode kuif denken aan een mix van de Joker uit de Batmanfilms en Alex, de twijfelachtige held uit Kubricks A Clockwork Orange. Abramović zelf speelt de rol van haar liefdeloze moeder met wie ze een moeizame verhouding had. Geen wonder na een verschrikkelijke jeugd, met een vader die met een pistool naast zijn bed sliep en een moeder die sloeg. Opvallend dat Wilson kiest voor een psychologische benadering waarin hij autobiografische fragmenten laat zien die inzichtelijk maken hoe zij de extreem met pijn en fysieke uitdagingen werkende performancekunstenares werd. Behalve aan haar jeugd refereren verschillende tableaus ook aan haar performances. Zo ontstaat een tamelijk helder beeld, dat net als het werk van Abramović zelf even vaak bewondering als ergernis opwekt.

Het blijft allemaal een tikkeltje steriel totdat zanger Antony opkomt. Speciaal voor de voorstelling heeft hij een aantal stukken gecomponeerd en met zijn fascinerende stemgeluid en timbre geeft hij de voorstelling diepte en drama. Ook de traditionele klaagzang van de Servische zanggroep van Svetlana Spajic is indrukwekkend.

Aan het begin en het eind van de voorstelling wordt de dood van Abramović verbeeld: in het openingsbeeld zie je haar (met wit masker ) op drie zwarte lijkkisten liggen opgebaard: aan het eind zweeft ze, in een lang wit gewaad, naar de hemel. De strak uitgelijnde, strenge esthetiek van Wilson staat in zekere zin haaks op de destructiviteit in werk en leven van Abramović. De curieuze combinatie van totaal verschillende grootheden krijgt pas echt vleugels op de momenten dat de betoverende zang van Anthony er leven in blaast.