Halverwege het eerste deel loopt hij ineens over het toneel, van links naar rechts, zonder een woord te zeggen: een oudere heer, grijs haar, mager postuur, onberispelijk gekleed, sjaaltje om. De zaal reageert met herkennend gegrinnik en zelfs een applausje: daar wandelt een reïncarnatie van de schrijver zelf, Harry Mulisch.
De ontdekking van de hemel, onlangs uitverkoren tot 'het beste Nederlandstalige boek aller tijden' is al eens succesvol verfilmd (in regie van Jeroen Krabbé) en nu ook op de planken te zien. Het zoveelste literaire meesterwerk dat wordt 'verplankt', alsof de producenten alleen nog maar veilig durven te programmeren: boekbewerkingen zorgen geheid voor volle zalen. Vrije producent Hummelinck Stuurman heeft overigens een reputatie opgebouwd met kwalitatief goede bewerkingen van literatuur. En De ontdekking van de hemel is niet bepaald het eenvoudigste boek om te bewerken: negenhonderd pagina's vol kosmische en theologische bespiegelingen, symbolistische motieven en verwijzingen naar de mythologie.
Bewerker en regisseur Ignace Cornelissen heeft het verhaal toegespitst op de verhouding tussen de twee vrienden die verliefd worden op een en dezelfde vrouw, Ada Brons, een celliste. Sieger Sloot speelt Max Delius, waarin veel van het personage Mulisch is terug te vinden: tegenover hem staat Waldemar Torenstra als boezemvriend Onno Quist, een personage dat losjes is gebaseerd op de schaker Jan Hein Donner, een goede vriend van Mulisch. Torenstra speelt hem als een branieschopper, vol levenslust en nogal plat, in een ouwe-jongens-krentenbrood sfeer die ver staat van het fijngevoelige, hoog-intellectuele Mulisch-universum. Des te knapper dat De ontdekking van de hemel geen slechte voorstelling is geworden.
Moeiteloos wordt in en uit de tijd gesprongen: in het eerste deel blikken de twee vrienden terug op hun eerste ontmoeting en stappen telkens in en uit hun rol. Het verhaal wordt verteld in sneltreinvaart, met af en toe grote stappen. De geboorte van het kind (dat zowel van Onno als van Max kan zijn) zorgt voor een hilarisch moment: meteen na de aankondiging dat alles goed is met de baby, verschijnt deze op het toneel, als een jongen van twaalf. Zo schiet het lekker op.
Vooral de vondst om de schrijver zelf ten tonele te voeren geeft licht en lucht aan de voorstelling en zorgt voor veel geestige momenten. Zoals wanneer Max Delius, die zijn leven heeft gewijd aan de sterrenkunde, aan het eind dodelijk wordt getroffen door een meteoriet. De schrijver haalt verontschuldigend zijn schouders op; hij kan het ook niet helpen. Genio de Groot heeft de lichaamstaal van Mulisch goed geobserveerd en lijkt sprekend op de oude meester.
Het decor is abstract en geeft steeds meer prijs van wat een sterrenhemel blijkt te zijn. Jammer van de apocalyptische slotscène die de plank misslaat, met überkitsch waar Mulisch, zelf echt niet vies van de nodige overdrijving, van zou hebben gegruwd. Ook het politieke statement aan het eind van de voorstelling doet noch recht aan het boek, noch aan de schrijver.