Bijna tien jaar geleden speelde Rik van Uffelen bij Hollandia Gust, een stuk van de Duitse schrijver Herbert Achternbusch. Het werd een van die voorstellingen waarmee Hollandia zijn naam vestigde: een ijzersterk boerendrama, op lokatie gespeeld in een kas bij Hoofddorp. Het stuk is van Uffelen altijd dierbaar gebleven en nu De Toneelfabrieken dergelijke kleine ondernemingen mogelijk maakt, speelt hij het opnieuw, ditmaal met Joop Admiraal als de zieke echtgenote.
De voorstelling roept sterk Hollandiaanse sferen op, natuurlijk door het stuk, maar ook vanwege de lokatie: de zolder van het Transformatorhuis. Een kale, desolate ruimte met prachtige, grote ramen die uitzicht bieden op de ondergaande zon en de spoorbaan, met eindeloos naar Haarlem heen en weer rijdende treinen. Lege bierflesjes en druipende kaarsen domineren de ruimte, waar ergens achterin op een veldbed onder een strozak de wegkwijnende vrouw van Gust verborgen ligt. Terwijl zij kreunt en steunt, rochelt en soms even smekend haar handen naar hem uitstrekt, vertelt Gust over zijn moeilijke leven: twee wereldoorlogen meegemaakt, de dood van zijn geliefde, eerste vrouw die veel te jong is gestorven, die keer dat hijzelf bijna dood was gegaan aan de stijfkramp. "Vroeger was het bier beter", verzucht hij en neemt nog een slokje en vooruit, ook nog een snuifje tabak. Zijn vrouw negeert hij nagenoeg volledig zodat een beeld van totale eenzaamheid ontstaat: die stervende vrouw die nog geen slokje water krijgt -Joop Admiraal onder de strozak als ledepop met wit slaapmutsje om - en die ronkende man die maar doorgaat met het vertellen van verhalen. Rik van Uffelen speelt een geloofwaardige rol met zijn onnavolgbare streekdialect, zijn gelooide huid en zijn stramme motoriek van een oude boer.
Desondanks blijf je met de vraag zitten: waarom dit stuk opnieuw gespeeld? De magie die de boerendrama's van Achterbusch hadden, toen ze voor het eerst gespeeld werden-heftige, aardse drama's over mensen die gewoonlijk niet op het toneel te zien waren-, heeft inmiddels aan kracht ingeboet. Het blijft bij een wat afstandelijk observeren - mooie rol, prachtig decor-, op de laatste scene na. Als Gust aan het slot zijn stervende vrouw dan eindelijk in zijn armen neemt en zij hem aanblikt met haar trouwe honde-ogen vol aanbidding en liefde, is er even een moment van oprechte ontroering.