"Kan het nog clichématiger, meneer Mulisch? Vragen of ik soms ongesteld moet worden? Hoofdpijn voorwenden om seks te vermijden? In plaats daarvan het huis gaan soppen?"
Halverwege de voorstelling barst Sylvia (Roos van Erkel) bijna uit elkaar van woede. Zij is de jongste van de Twee Vrouwen waarover Harry Mulisch in 1975 een roman schreef die destijds gemengd werd ontvangen maar inmiddels 27 drukken beleefde. En ze vindt de manier waarop haar personage wordt neergezet onverteerbaar.
Het verhaal is eenvoudig. De gescheiden Laura knoopt een relatie aan met de veel jongere Sylvia. Ze zijn verliefd en gelukkig totdat Sylvia er vandoor gaat met Alfred, de ex-man van Laura. Uit liefde, blijkt later, maar het loopt fataal af.
Mulisch roman wekte destijds beroering in vrouwenkringen: de tweede feministische golf was op haar hoogtepunt, vrouwen waren eigenlijk allemaal 'lesbies' en mannen bij voorbaat verdacht. Dus hoe kon een man (en dan zeker zo'n macho man als Mulisch) nu overtuigend schrijven over de liefde tussen twee vrouwen? Ook de literaire kritiek was ontdaan want het kon toch niet bestaan dat de hoog literaire Mulisch zo'n plat liefdesromannetje schreef?
Inmiddels is het ruim veertig jaar later en hoe breng je zo'n verhaal op de planken? In de bewerking van Janine Brogt zijn de genoemde elementen geraffineerd verwerkt. De acteurs spelen het stuk, maar ze leveren intussen voortdurend commentaar op hun rol. De uitval van Sylvia is die van een jonge vrouw van nu die met verbijstering kijkt naar de platitudes die ze moet bezigen. Alle drie hebben ze hun eigen agenda. Roos wil als Sylvia een grote liefde graag ook graag meeslepend spélen, dus waarom moet ze alsmaar zwijgen en mysterieus kijken?
De lulligste rol – pardonnez le mot – is die voor de enige man in het stuk, Chris Tates. Hij speelt de rol van Alfred, de ex, die uiteindelijk ook door Sylvia wordt misbruikt, maar duikt ook op in een aantal vrouwenrollen, als de moeder en schoonmama van Laura. Geregeld protesteert ook hij tegen de rolopvatting over Alfred of meet hij zich een Mulischiaanse allure aan, inclusief deftig woordgebruik, lichaamstaal en pijp. Dat wordt meteen afgestraft.
Het leidt tot een intelligente, geestige en heldere voorstelling waarin de acteurs voortdurend snel schakelen tussen hun rol en zichzelf, tussen Avignon en de huiskamer van Laura en tussen toen en nu. En waarin ze, ondanks alle kritische noten, toch ook nog recht doen aan de kwaliteiten van Mulisch proza, met mooie observaties en verwijzingen naar de mythologie. Er wordt uitstekend geacteerd, in het bijzonder door Renée Soutendijk: knap hoe zij erin slaagt, ondanks het voortdurend schakelen, emotie te brengen in haar spel. Geweldig hoe in deze versie zelfs het einde, bij Mulisch bijna te soapachtig melodramatisch, nog een geestige draai krijgt.