Piepklein zijn de vertrekken waar moeder en dochter hun dagen slijten. In de gang hangt een foeilelijke, monsterlijk grote lamp waar de dochter zich letterlijk onderdoor en langs moet wurmen. De keuken wordt gedomineerd door een scheef hangende en vervaagde foto van een besneeuwd landschap, dat de illusie van lucht en licht, ruimte en vrijheid suggereert. Dat alles is ver te zoeken in het leven van de twee vrouwen. Het is dan ook goed voorstelbaar dat zij willen ontsnappen aan de benauwende atmosfeer van deze sjofele ruimtes. De koffers zijn gepakt.
Am Ziel is een naargeestige komedie van de Oostenrijkse schrijver Thomas Bernhard over een moeder, haar dochter en een 'dramatische' schrijver. Elk jaar op precies dezelfde dag reizen moeder en dochter, inmiddels al 33 jaar lang, af naar hun huis aan zee, in de vergeefse hoop dat het leven daar beter is. Ditmaal is er een onverwacht element: ze hebben een jonge schrijver uitgenodigd met hen mee te gaan. Hij heeft recentelijk grote successen behaald met zijn toneelstuk 'Redde wie zich redden kan'.
Het stuk is in feite een bijna-monoloog van de moeder. Over haar man die ze haatte met zijn eeuwige stoplap 'eind goed, al goed', over hoe lelijk haar overleden zoontje was, over de dochter die ze minacht en vernedert, over de zee die met zijn eeuwig terugkerende eb en vloed ook al geen oplossing biedt. Een enorme hoeveelheid tekst, geschreven in het muzikale idioom van Thomas Bernhard, waarin de zinnen meanderen, in kleine variaties op eindeloos hetzelfde thema. Hondsmoeilijk om te leren, een partituur waarin geen woord, zelfs geen lettergreep verkeerd mag worden uitgesproken omdat de cadans van de taalsymfonie anders verstoord dreigt te worden. Marlies Heuer is weergaloos in haar rol als de moeder. Monotoon en met een snelheid alsof de duivel haar op de hielen zit begint ze te praten, om gaandeweg de teugels te laten vieren en steeds meer nuances aan te brengen. Een kathedraal van een vrouw maakt ze van de moeder, zoals ze met minuscule bewegingen en ijzingwekkende stiltes haar haat en haar walging uitspuwt. Elke beweging van haar pink drukt tirannie, wilskracht en woede uit. Altijd beheerst, ze hoeft haar stem nauwelijks te verheffen. Haar oogopslag is dodelijk: ze is vilein tot in elke vezel van haar lichaam.
Haar monoloog gaat over de bekende thema's van Bernhard, de Oostenrijkse zwartkijker, die grossiert in schetsen van de zinloosheid en de lelijkheid van de wereld en dan in het bijzonder van Oostenrijk. Goddank is zijn loodzware cynisme met veel (zwarte) humor gekruid. In zijn stukken keert hij zich met name tegen de toneelkunst, waardoor de toeschouwer als het ware een (lelijk vervormende) lachspiegel krijgt voorgehouden: 'Er bestaat geen grotere perversiteit dan het theaterpubliek'.
In de regie van Paul Knieriem krijgt Marlies Heuer alle ruimte om uit te pakken. Mede dankzij het sterke toneelbeeld van Katrin Bombe wordt vooral de benauwdheid, tot stikkens aan toe, van dit onontkoombare wereldbeeld zichtbaar en voelbaar gemaakt.