Beppe Costa heeft geen bonuskaart en hij kan niet zwemmen. Wie in Nederland niet kan zwemmen, kan beter ergens anders gaan wonen, bijvoorbeeld in de Alpen, legt hij uit. Desondanks is de uit Turijn afkomstige muzikant hier blijven hangen: "Ik kwam naar Amsterdam twintig jaar geleden op een blauwe vrijdag voor een lang weekend. En ik wacht nog steeds op de maandag waarop ik weer weg zou gaan. Intussen geniet ik van mijn vrije weekend." Beppe Costa is een fenomeen: hij speelt op elk instrument dat hij in handen krijgt. Bij Orkater debuteerde hij met de legendarische voorstelling De Geräuschmacher (1995), waarin op onnavolgbare wijze muziek werd gemaakt met de meest bizarre instrumenten. Samen met Geert Lageveen en Leopold Witte en in de regie van Gijs de Lange maakte hij de afgelopen jaren furore met voorstellingen als Conijn van Olland, IK, De Gouden Eeuw en Bloedband.In zijn eerste solovoorstelling Een Blauwe Vrijdag maakt Beppe Costa de balans op van zijn twintigjarige verblijf in Nederland. Op de achtergrond zien we typisch Nederlandse landschappen, het water en de weilanden, geprojecteerd op grote panelen. Verder is de ruimte bezaaid met instrumenten; gitaren in alle soorten en maten, een accordeon, een bijzonder soort harp, veel percussie-instrumenten. Beppe Costa strooit met anecdotes over zijn beginjaren en doet op zijn eigen droogkomische wijze verslag van zijn leven als Italiaan in Nederland. "In die tijd kwamen veel mensen naar Amsterdam om drugs te gebruiken of om nieuwe muziek te horen of om hun grenzen te verleggen. Ik kwam naar Amsterdam om naar Groningen te gaan."
Het verslag van die eerste reis naar Groningen is een van de sterkere scènes en het is jammer dat hij dat verhaal niet meer heeft uitgewerkt. Het uitgangspunt van iemand die met een blik van buitenaf kijkt naar dat vreemde land in het noorden met al dat water en die polders, is interessant genoeg Teveel springt Costa in deze voorstelling van de hak op de tak. Hij maakt het zichzelf moeilijker dan nodig is, wellicht uit angst om te vervelen haalt hij er van alles en nog wat bij en bereikt daardoor het tegenovergestelde. Een rode draad wordt gevormd door het reisverslag van een andere Italiaan, Edmondo De Amicis, die Nederland in 1872 bezocht. Teksten van de laatste worden door een voice-over tussen de bedrijven door voorgelezen, maar ze beklijven veel minder dan de ervaringen van Costa zelf. Bovendien is hij een begenadigd multi-instrumentalist, componist en performer, maar geen groots verteller en evenmin een groot zanger. Muzikaal zou het verschil tussen de culturen, waarmee hij zich verwant voelt, meer kunnen worden uitgebuit. Al met al is Een blauwe maandag teveel een tutti frutti voorstelling geworden, met een paar mooie momenten en een prachtig beginlied. Nederland gezien van binnenuit, door iemand die er nog altijd van buitenaf naar kijkt.