Bijna veertig jaar geleden is het, de legendarische voorstelling die Gerben Hellinga maakte van Kees de jongen, naar het beroemde boek van Theo Thijssen. Het werd een enorme theaterhit, onder andere door de destijds bijzondere vondst om Kees door twee acteurs te laten spelen. Kees, de 'gewone Amsterdamse jongen' en de Kees van de verbeelding en de fantasie stonden naast elkaar op het toneel en vulden elkaar aan, door dik en dun. Nu wordt Kees de jongen opnieuw uitgebracht door de Toneelmakerij in een grote productie, met alles erop en eraan. Een fraai decor dat gestileerde hoge Amsterdamse bruggen laat zien tegen een wisselende achtergrond, een uitstekende cast en, nog toegevoegd aan de oorspronkelijke tekst van Gerben Hellinga, een aantal liedjes van Maarten van Roozendaal en Theo Nijland. Liesbeth Coltof heeft de voorstelling met liefde en aandacht geregisseerd; tot in de kleinste details is overal aan gedacht. Toch komt haar enscenering van Kees de jongen niet tot leven. Heel even lijkt er in de verte iets te gaan sprankelen, maar het grootste deel van de voorstelling zit je erbij en kijk je ernaar. Het tempo is traag en de overgangen zijn vooral in het begin niet altijd even soepel. De keuze om helemaal niet te actualiseren, levert een soms hopeloos ouderwets prentenkabinet op. Kijk, zo zagen ze er toen uit, de mensen: kniebroeken, ruisende rokken, mutsjes en schorten, overigens wel weer met een mooie kwinkslag ontworpen door Carly Everaert. De personages blijven ergens in het begin van de vorige eeuw steken, ze komen niet dichtbij. Niet Kees (de twee Kezen dus), die toch zo aandoenlijk is in zijn onschuld, zijn verdriet en zijn mooie jongensverliefdheid. Niet de moeder die toch gespeeld wordt door Tamar van den Dop die er normaal gesproken in slaagt om met wat ze ook doet met kop en schouders boven iedereen uit te steken, maar die ditmaal niet verder komt dan haar rol zo adequaat mogelijk invullen. En zelfs niet de vader die toch heel lang ziek en zielig is en dan nog doodgaat ook. De bijrollen zijn af en toe geestig en goed getroffen, maar ook daar overheerst het karikaturale: kijk, een Franse toerist; kijk, een hele nare man. De muziek, fraai en melancholisch, is te moeilijk voor de meeste spelers, met uitzondering van het hele mooie lied waarmee vader afscheid neemt van de wereld. Zo komt noch de lach noch de traan helemaal uit de verf en blijft Kees de jongen steken in een wat braaf aandoende enscenering die nergens gaat swingen.