Meteen na de openingsmonoloog loopt een van de acteurs naar Gillis Biesheuvel toe en wikkelt met cellofaan een afbeelding van Mickey Mouse om diens naakte bovenlijf. De oortjes van de beroemde stripheld puilen uit op borsthoogte, zodat ze lijken op de cups van een beha. Gillis houdt zijn armen omhoog, terwijl hij wordt omzwachteld. Het is duidelijk: hij is Prometheus.
Toneelgroep Amsterdam maakte een paar jaar geleden een Prometheus waarin een indrukwekkende Hans Kesting het verbale machtsvertoon van zijn rol met een fysiek minstens zo zware inspanning illustreerde. Gillis Biesheuvel zit er relaxt bij met zijn lange, magere lijf, zijn expressieve kop en het Mickey Mouse-icoon op zijn borst. Hij doet geen enkele poging het lijden van Prometheus, de god die door Zeus ongenadig wordt gestraft omdat hij de mensen het vuur zou hebben gegeven , te verbeelden. Dood Paard heeft zich nooit bekommerd om naturalisme of psychologisch spel, de groep zoekt naar andere theatrale middelen.
Prometheus is geschreven door Oscar van Woensel en hoewel de tekst het stramien van de originele tragedie van Aeschylos volgt, is het een heel eigen stuk geworden. Bijzonder aan deze Prometheus is vooral de taal. Waar van Woensel al eerder experimenteerde met taal (MedEia werd gespeeld in het Engels, Blaat was een virtuoze oefening in taalverhaspelingen), gaat hij in Prometheus verder dan ooit. Een soort Euro-taal laat hij de protagonisten spreken, een vermenging van Engels, Duits, Frans en Nederlands, mat een vleugje Spaans en Italiaans. Een tekstvoorbeeld: "Tell me wo in der wereld je suis terecht gekommen?" Dat vraagt ook de toeschouwer zich af die het al gauw duizelt van de voortdurende omschakeling van de ene taal in de andere. Terwijl in Blaat de taalvirtuositeit in dienst stond van de thematiek, wordt in deze Prometheus niet duidelijk waarom deze pan-Europese soep wordt opgedist. Het is af en toe geestig, dat wel, maar de tekst is lastig te volgen en mist de muzikale cadans die Blaat wel had. De ene acteur brengt het er beter van af dan de andere: Gillis Biesheuvel slaagt er nog het beste in om zijn zinnen een dwingende kracht mee te geven; Manja Topper ratelde zo snel en zachtjes dat er vrijwel niets van te volgen was.
In de vormgeving is Prometheus evenmin overtuigend. Het geloop over opgestapelde stoelen en kasten is, ook al in Blaat, eerder gedaan en het aan- en uittrekken van glitterhemdjes roept vooral vragen op. Het meeste indruk maken eigenlijk de proloog en de epiloog wanneer de vier acteurs naast elkaar voor een groot doek staan (ook al een citaat uit eigen werk, het doek uit MedEia) en fragmenten citeren uit de Prometheustekst van Heiner Muller. Op die momenten komt het drama van Prometheus even tot leven.