Zeventien flessen staan er op een rij op de grond. Het speelvlak is bedekt met zand en omringd door witte gordijnen, waardoor een bijzondere sfeer ontstaat, van een boeddhistisch altaar of een andere ceremonie. De toeschouwers zitten niet op de tribune, maar in drie rijen om het speelvlak heen. Onontkoombaar dichtbij komt zo de monoloog Koliek. Het stuk is geschreven door de Duitse schrijver Rainald Goetz, een schrijnende monoloog van een wiskundige die besloten heeft zich dood te drinken. Wij maken de laatste zeventien seconden van zijn leven mee, waarin hij gek wordt van zijn eigen denken. Stamelend somt hij een reeks begrippen op die samen een weerbarstig klankpatroon vormen. Hersens Drek Man Raas Vooruit Snel Snel Weg daar Mens Man Vooruit vooruit Stil daar Zooi schijt Hersens hond drek Drek Drek Drek verdomde hond verdomde Stil daar Hersens schijt God verdomde drek (...).In een laatste poging om greep op de wereld te krijgen, praat hij aan één stuk door, associatief, vloekend en tierend, zonder enige samenhang. Koliek is een soort trip, een gevecht met de taal, een gevecht met zingeving, een stamelend poëtisch manifest van destructiviteit en onvermogen. Een monoloog over de ontoereikendheid van taal, over de worsteling met taal, met woorden, met betekenis.Regisseur Karin Netten, die met deze monoloog haar debuut bij Toneelschuur Producties maakt, noemt Koliek een 'meesterwerk der taalkots'. Koliek is geen gemakkelijke opgave voor een acteur die bijna anderhalf uur moet boeien, met een monoloog waarin zo weinig houvast wordt geboden. Roland Haufe speelt de man zonder al te dicht op de emoties te gaan zitten, dat zou in dat geval ook niet werken. Stug drinkt hij zich door die zeventien flessen heen (die gelukkig niet vol zitten). Hij loopt rond als een gewond dier, gaat zitten in het zand en bedekt zijn benen ermee, hij drinkt en praat en probeert door alsmaar meer woorden uit te braken iets te bezweren, zijn angst voor de pijn, zijn angst voor de dood. "In mijn hoofd gaat een wild dier tekeer," schreef Goetz begin jaren tachtig in een verhaal. "Wie ben ik? Waarom zit het denken in me, als het niet meer is dan een tegen mezelf gericht razend denken? Terwijl ik toch maar één ding weten wil. Hoe moet het kloteleven?"
Heel af en toe is er een lichtpuntje te bekennen in deze extreme taaloefening. In de enscenering wordt de zwaarheid van de tekst niet benadrukt, maar worden de woorden bijna losgezongen van hun betekenis, als in sommige poëzie of in een mantra. Aan het eind zijn de zeventien flessen aan de andere kant van het speelvlak beland. Het is voorbij, het is gedaan.