Een overdaad aan rouwkransen, de rode loper, plechtig kijkende en stemmig geklede dames en heren en veiligheidsbeambten met walkie-talkies maken in de openingsscène duidelijk dat hier een staatsbegrafenis plaatsvindt. Claudius, de broer van de overledene en zijn weduwe Gertrude, - die vast niet toevallig doen denken aan het Amerikaanse presidentsechtpaar - geven te kennen dat er naast gepaste droefheid ook reden tot vreugde is: zij gaan trouwen. In kordaat tempo worden de verhoudingen duidelijk gemaakt: deze wereld is er een van opportunisme, uiterlijk vertoon, verraad en machtsmisbruik.
Tegenover de gecorrumpeerde oudere generatie, de machtshebbers, staan de jongeren: Hamlet, Ophelia, Laertes. Theu Boermans legt in zijn regie de nadruk op de strijd die zij moeten leveren om zich een weg te banen in een monsterlijke wereld die van bloeddorst en machtswellust aan elkaar hangt.
Boermans maakte een vrije bewerking van het 'stuk der stukken', waarin de overgang tussen Shakespeare's fraaie verzen en meer hedendaagse taal niet altijd vlekkeloos verloopt. Net zo onevenwichtig komt zijn regie over: prachtige vondsten en mooi spel worden afgewisseld met onbegrijpelijk zwakke scènes. Een voorbeeld is de beroemde scène waarin de geest van zijn vader aan Hamlet verschijnt. Als een dronken veldwachter zwalkt de oude in het halfduister over het toneel en roept Hamlet op tot wraak. Met microfoon en echo-effecten wordt zijn stemgeluid versterkt en even later gaan zelfs de lichtjes knipperen als de overledene vanuit de hemel zijn woorden nog eens kracht bij wil zetten. Pathetiek die slechts hilariteit oproept. Weinig overtuigend is ook het deel na de pauze waarin veel te lang uitgesponnen en ongeloofwaardige scènes, bijvoorbeeld die waarin Laertes het paleis bestormt met machinegeweren en zich door Claudius laat temmen, de vaart en de ziel uit het stuk halen.
Mooi en ontroerend is in de eerste plaats het spel van Jacob Derwig die aarzelend begint als een slecht verstaanbare, monkelende puber, maar die groeit in zijn rol: zijn waanzin is duidelijk een dekmantel om de corrupte wereld op zijn eigen schonkige, hoekige, maar bevlogen wijze te lijf te kunnen gaan. Erg betreurenswaardig was het in deze Hamlet dat Polonius halverwege de geest geeft, want Harry van Rijthoven slaagde er als een van de weinigen in om zijn rol subliem uit te buiten. Geestig is het optreden van Rosencrantz en Guildenstern die worden opgevoerd als twee Jiskefet-ballen. De toneelspelersscène wordt met veel dubbele bodems fraai vormgegeven en zo is er meer moois te beleven. Des te spijtiger is het dat er vooral in de speelstijl te weinig duidelijke keuzes zijn gemaakt, zodat deze Hamlet al met al een onevenwichtige indruk achterlaat.