Gaat het over een sadomasochistische verhouding? Of is er sprake van een psychologisch kat-en- muisspel dat doet denken aan Who's afraid of Virginia Woolf? Ashes to Ashes is een stuk van Harold Pinter (vertaling: Janine Brogt), geschreven in 1996 en destijds opgevoerd door Toneelgroep Amsterdam. Bijzonder omdat Pinter de wereldpremière gunde aan een Nederlands gezelschap, nog voordat het in Londen en New York op de planken kwam.

Het is geen gemakkelijk stuk, al is dat bij Pinter een overbodige mededeling. Zijn werk is vaak cryptisch, soms moeilijk te duiden, altijd complex. Het gaat over machtsverhoudingen, binnen een liefdesrelatie, een gezinssituatie of in de buitenwereld. Over miscommunicatie en onbegrip. Over begrippen als waarheid en leugens: wat is 'de waarheid' als dat begrip er voor de een heel anders uitziet dan voor de ander? Het zijn vaak heel talige stukken waarin de stilte overigens ook een prominente rol speelt: vaak wordt er tussen de zinnen door net zoveel gezegd. Ashes to Ashes is een toneeltekst waarbij het aftasten van de personages vooral in de taal gebeurt, maar ook in de haperingen, de herhalingen en de veelzeggende stiltes.

Olivier Diepenhorst regisseert Ashes to Ashes nu bij Toneelschuur Producties. Zijn afstudeervoorstelling Berenice werd in 2013 bekroond met de ITS Ton Lutz Award voor meest veelbelovend regietalent. Ashes to Ashes is geen gemakkelijke keuze: binnen het werk van Pinter wordt het gezien als een van zijn meest cryptische teksten.

Centraal staan een man en een vrouw. De vrouw vertelt over een affaire met een man die ze haar minnaar noemt; de man stelt vragen. Is hij haar therapeut, haar dokter, haar ondervrager? Is hij misschien zelf de minnaar en speelt zij een geraffineerd spel met zijn en haar verlangens? De man en de vrouw worden gespeeld door Sander Plukaard en Jessie Wilms in een abstract decor (toneelbeeld: Lisanne Hakkers). Achter een half doorzichtige glazen achterwand worden planten zichtbaar: varens, palmen. De zwarte tegelvloer is in het midden helemaal opengebroken, de spelers staan in de aarde of zitten op een rijtje opgestapelde tegels. Geen rekwisieten, af en toe flarden muziek, die vaak haaks staan op de sfeer (Our house is a very very fine house van Crosby Stills Nash & Young op een moment van complete desolaatheid). Soms worden de gesprekken of de monologen zachtjes herhaald, waardoor een sfeer van vervreemding en afstandelijkheid ontstaat.

Onder de stilte en achter de afgemeten zinnen broeit van alles en Sander Plukaard en Jessie Wilms maken dat knap voelbaar. De onderstroom van seksuele aantrekkingskracht is net zo sterk als die van een wederzijdse woede. Wie, waarom, hoe, helemaal duidelijk wordt het niet. Veel blijft verborgen of wordt gesuggereerd. Het meest doet de voorstelling denken aan het werk van Duras (Hiroshima mon Amour), waar ook zo'n draaikolk aan heftige emoties telkens de kop wordt ingedrukt, met een soort centrifugale kracht. Heftig, dreigend, soms gewelddadig, maar met onderliggend een grote behoefte aan tederheid.