De kolenkachel staat centraal in het decor van De Avonden. Het is immers vlak na de oorlog dat Reves klassieker zich afspeelt. Nederland stookt nog op kolen en de radio vormt het enige vertier.

De Avonden wordt gespeeld over de volle breedte van de zaal: links vormt een ingebouwd jongensbed de slaapkamer van Frits van Egters, de held van De Avonden; centraal staat de huiskamer van de familie, gedomineerd door de eettafel, waar dagelijks de vreugdeloze maaltijden worden geserveerd; rechts een paar leunstoelen waarin alleen vader zich nu en dan met een sigaar posteert. Achter het eetgedeelte vormen glas-in-lood deuren de scheiding naar de slaapkamer van de ouders. De benauwenis van de jaren vijftig wordt tot in het kleinste detail weerspiegeld, maar bijzonder wordt het decor vooral door de geraffineerde sleuven, verhogingen en obstakels. Het realisme krijgt daardoor net een andere draai: de ogenschijnlijke geborgenheid van de jaren vijftig huiskamer blijkt vol loerende gevaren.

In zijn bewerking is Leon van der Sanden dichtbij het origineel gebleven. De oorspronkelijke zinnen van Reve zijn gehandhaafd, al is de structuur van het boek dat in tien hoofdstukken de tien laatste dagen van het jaar beschrijft, enigszins aangepast. De hoofdpersoon Frits van Egters spreekt zowel in de eerste als in de derde persoon over zichzelf, waardoor hij tegelijkertijd degene is die de dingen beleeft als de beschouwer die met afstand het hele gebeuren waarneemt. Erik de Visser speelt zijn personage weergaloos en ook de andere acteurs- vooral Hans Trentelman en Mieneke Bakker als de vader en de moeder- maar ook de vele, kleine bijrollen zijn een genot om naar te kijken.

Door details te accentueren weet de regie feilloos de sfeer van verveling en wurgende traagheid uit De Avonden weer te geven. Hoogte -dan wel dieptepunten zijn de dagelijks terugkerende maaltijden, waarbij moeder steevast ter verdediging opmerkt: "er kan n enkele harde aardappel tussen zitten', en waarbij vader, als altijd, met open mond zit te smakken. "Er is een hoop ellende, zoveel is zeker", verzucht Frits voor de zoveelste keer.

Het absolute hoogtepunt is de slotscène waarin moeder ter viering van het nieuwe jaar een fles wijn gekocht heeft. Dacht zij tenminste, in haar onschuld. In feite is het vruchtenwijn: bessen-appel, of appel-bessen, al naargelang, maar geen wijn. Frits bidt voor zijn erbarmelijke ouders en vraagt om vergeving en mededogen, even bikkelhard als werkelijk gemeend. Bij Frits van Egters kom je er nooit helemaal achter. Toch, zolang er zulke mooie voorstellingen gemaakt worden, kun je met recht Reve gelijk geven: "Alle hoop is nog niet verloren."