De Stadsschouwburg Utrecht is compleet verbouwd. De stoelen zijn verdwenen en middenin de lege ruimte is een rond platform gebouwd waarop de musici van New Cool Collective zitten. Het publiek staat eromheen of zit bovenin de zaal waar nog wel stoelen staan. Zo ontstaat ruimte voor een swingende voorstelling van Veel gedoe om niks, weliswaar de lichtste van alle Shakespeares, maar toch een heuse Shakespeare.

Veel gedoe om niks is een komedie van maskerades en vermommingen, een aaneenschakeling van intriges rond de liefde. Roddels en achterklap zorgen ervoor dat op een gegeven moment niemand meer weet wie wie is en vooral wie ook alweer van wie houdt. Gelukkig worden de schurken ontmaskerd en is er een lekker vet happy end, met maar liefst twee gelukkige bruidsparen.

Op zich is het dan ook een aardig idee om van de voorstelling een soort gemaskerd bal te maken, waarbij de toeschouwers zich tussen de acteurs bevinden. Gespeeld wordt op het podium in het midden tussen de muzikanten maar ook boven in de zaal waar de acteurs omheen kunnen lopen en via speciale loopbruggen weer de zaal in kunnen. Vooral in het begin pakt dat niet helemaal goed uit: de muziek staat als een huis, terwijl de acteurs wat verloren rond lijken te lopen. Ze staan of heel dichtbij of heel ver weg, aan de andere kant van de zaal. De introductie van de maar liefst twaalf personages kost nogal wat tijd en de wisselende kwaliteit van het geluid van de zendmicrofoons leidt af. Gelukkig breken Mark Kraan & Rogier in 't Hout als de lekker plat pratende en komisch knullige beveiligers het ijs.

De livemuziek van het uit acht man bestaande New Cool Collective rond saxofonist Benjamin Herman is lekker vet, energiek en dansbaar. De speciaal voor de voorstelling door Wim Selles gecomponeerde muziek past uitstekend bij het orkest. Alleen is de verhouding met het spel soms zoek: de muziek is zo strak en swingend dat het de overgangen bemoeilijkt. Om het anders te formuleren: in het begin wint de muziek het eenvoudig van het spel, gaandeweg komt daar verandering in. Het spel wordt geconcentreerder, de intriges komen tot leven en de teksten zijn blijken, licht gemoderniseerd, onverminderd geestig. Een aantal van de spelers blinkt uit, waaronder zeker Jeroen de Man als Benedick, Paul R. Kooij als Frater Antonio en Susan Visser als Beatrice. Een verrassing is het optreden van schrijver Arthur Japin als Don John, de buitenechtelijke broer van de prins, die ook heel aardig blijkt te kunnen dansen. Vooral door het onweerstaanbaar vrolijke slot, waarin de schuldige Conrachio met schuiftrompet door de lucht zweeft, wordt het ten slotte toch nog een swingende party.