De blinde man heeft zo zijn vaste ochtendrituelen. Hij weet op de tast zijn kleren te vinden en begroet de opkomende zon met zijn jagershoed op. Zijn woning wordt gedomineerd door de enorme ramen waardoor schitterende kitschbergen zichtbaar worden en de zon precies op tijd als een enorme oranje bol opkomt- een mooi toneelbeeld van Paul Gallis, prachtig belicht door Reinier Tweebeeke. De blinde man woont al veertig jaar alleen in de bergen, verstoken van elk gezelschap. Alleen een jonge, enigszins achterlijke buurman brengt hem dagelijks eten en het nieuws van beneden dat bestaat uit de standaard mededeling: "Alle mensen zijn gelukkig en leven in vrede. Opgewekt houden zij zich met hun bezigheden bezig." Ter begroeting schurkt de jongen even zijn gebogen hoofd tegen de oksel van de blinde, een teder ritueel dat iets dierlijks en vanzelfsprekends heeft.
Deze dag is een bijzondere dag. Na lang aandringen heeft het blindeninstituut een vrouw naar hem toe gestuurd. Ondanks vele pogingen -de blinde heeft zich lang voorgehouden dat alle liefdesverhalen desastreus aflopen- heeft hij het verlangen naar vrouwelijk gezelschap niet kunnen onderdrukken. Vanaf het moment dat zij arriveert, blijkt alles echter anders dan eerst leek. De vrouw doet zich voor als een ordinaire prostituee maar blijkt -na diverse zijsporen en omwegen- een gedesillusioneerde actrice. Al dertig jaar lang studeert zij dagelijks op de rol van Julia, maar geen regisseur heeft haar ooit ingehuurd. Haar vasthoudendheid heeft iets ontroerends: ze is iemand die zich tegen elke realiteitsbesef in vastklampt aan iets wat ze werkelijk wil. Celia Nufaar speelt de vrouw met liefde, in al haar gedaanten: van onverschillige straathoer tot supersentimentele Romeo en Julia-dweepster.
Peter Oosthoek overtuigt minder, als de blinde. Voor iemand die veertig jaar alleen in een berghut heeft doorgebracht, is hij veel te keurig en geciviliseerd. Afgaand op zijn uiterlijk, gedrag en dictie zou je hem eerder voor een enigszins alternatieve manager houden dan voor de toch volkomen vereenzaamde gek die iedereen na veertig jaar absolute verlatenheid zou zijn geworden. Ik kan me goed voorstellen dat regisseur Gijs de Lange niet het cliche-beeld van een bejaarde Kaspar Hauser wilde schetsen, maar hij heeft Peter Oosthoek nu wel erg weinig middelen in handen gegeven. Hij is een ongeloofwaardig personage in een kunstmatige wereld die wel fascineert, maar aan het eind vooral vragen blijkt op te roepen die niet worden beantwoord. Wat moeten we met het verhaal over het nazi-verleden van de blinde? Waarom gaat de vrouw voortdurend weg en vooral: waarom komt ze steeds weer terug? Wat heeft ze met de jonge buurman die voor haar een hevige passie koestert? Doordat je voordurend op het verkeerde been bent gezet- zonder dat dat leidt tot een gedachte over het hoe en waarom,- laat de dramatische afloop je dan ook tamelijk onverschillig achter.