Lichtelijk claustrofobisch wordt het al meteen in het openingsbeeld van de Oom Wanja van Toneelgroep Amsterdam, wanner de simpele houten schutting die de achterwand vormt, steeds verder naar voren toe schuift. Een treffend begin voor een Tsjechov-enscenering, in al zijn stukken is de omgeving van een onontkoombare claustrofobische benauwdheid. De wereld is klein en er is geen ontsnappen aan.

Oom Wanja zou je in modern psychologisch jargon een typisch midlife-crisisdrama kunnen noemen. Een groot deel van de personages wordt geconfronteerd met hun leven tot dan toe en komt tot het besef dat het vergeefs en zinloos is geweest en dat er weinig meer aan te veranderen valt. Dat geldt vooral voor de titelheld, Oom Wanja, die zijn leven, zo ontdekt hij, ten onrechte in dienst heeft gesteld van de professor, wiens levenswerk niets voor blijkt te stellen; dat geldt voor de dokter die zich na tien jaar als plattelandsarts verstikt voelt. En ook de jonge, mooie Jelena, de tweede vrouw van de professor, beseft dat ze haar beste jaren heeft versleten met de oude hypochondrische zuurpruim. Dan is er nog Sonja die haar wanhopige liefde voor de plattelandsdokter onbeantwoord weet. Een kluwen van onderdrukte gevoelens komt naar boven als het web van illusies waarin de meeste personages zich hebben ingesponnnen, wordt verstoord.

In deze enscenering van Toneelgroep Amsterdam levert Titus Muizelaar met zijn acteurs een heldere, ambachtelijke regie af, waarin vooral Pierre Bokma, Hans Kesting en Lineke Rijxman schitterende rollen neerzetten. Het spel is vrij sec, zonder ironiserende knipogen en dubbele bodems. Vooral in de lichaamstaal die soms haaks staat op de woorden die worden geuit, worden de tegenstrijdige gevoelens van de personages meesterlijk vertolkt. Pierre Bokma laat Wanja's wanhoop nergens pathetisch worden maar balanceert uiterst vakbekwaam op de grens tussen hysterie en nochalance; Hans Kesting zorgt als de dokter voor de meeste komische momenten en Lineke Rijxman is als Jelena een ideaal Tsjechov-personage: even aandoenlijk als onuitstaanbaar in haar eindeloze verveeldheid en elegantie. De bijrollen halen dat niveau niet en ook Janni Goslinga mist als Sonja de subtiliteit van de genoemde drie uitblinkers.

Het decor van Jan Joris Lamers is Discordiaans kaal en sober maar functioneel en het wordt prachtig uitgelicht door Kees van de Lagemaat. Als de houten schutting tegen het einde weer naar achteren schuift, levert dat nauwelijks een gevoel van opluchting op. Maar zo hoort het ook, bij Tsjechov.