Uiteindelijk spat de droom wreed uiteen. Op het moment dat de mannen, na drie jaar vergeefs zoeken de wanhoop nabij, eindelijk olie vinden, eindigt hun reis in een totale catastrofe. Letterlijk, in dit geval want de grijze reuzenballon die vanaf het begin het toneelbeeld domineert en alsmaar groter en groter is geworden, klapt dan uit elkaar.
Olie speelt zich af in een godverlaten bunkerachtige ruimte, een kale houten keet zonder ramen, in een godverlaten land, ergens waar muggen zijn en nomaden en rendiervreters. Een plek vol geweld en angst. Het is een toneelstuk van de Zwitserse schrijver Lukas Bärfuss, bekend van Hundert Tage, zijn prijswinnende roman over Rwanda. Regisseur Theu Boermans heeft een talent voor het introduceren van vooral Duitstalige auteurs met een goed ontwikkeld politiek bewustzijn en een sterk doorleefd besef van de zinloosheid der dingen, zoals Rainald Goetz, Gustav Ernst en Werner Schwab (die van de Faecaliëndrama's). Lukas Bärfuss kan moeiteloos in deze rij worden geplaatst: zijn Olie is een curieus toneelstuk, dat zeker geïnspireerd zal zijn door politieke vraagstukken (wat voor recht hebben westerse landen om derdewereldlanden te exploiteren?), maar toch vooral een moedeloos makend beeld schetst van de puinhoop die de mens ervan heeft gemaakt, zowel in de verhouding tussen man en vrouw als die tussen meester en knecht.
Centraal staat Eva (Tamar van den Dop) die, samen met haar inlandse hulp Gomua, haar dagen slijt in de bunker terwijl haar man en zijn zakenpartner voortdurend weg zijn, op zoek naar olie. Myranda Jongeling maakt een monument van deze Gomua, uitgedost in sjofele Oostblokkleding met een vleugje exotiek en voorzien van een curieus dialect dat het midden houdt tussen Tsjetjeens en Mongools. Ze wordt door haar mevrouw getreiterd met vernederende bevelen en eindeloze monologen die ze gelaten ondergaat. Intussen spoelt ze wel de fles cognac van mevrouw door de plee, al heeft Eva schijnbaar eindeloze nieuwe voorraden drank. Drinken is feitelijk het enige waarmee ze de tijd doodt; zelfs als ze kotsend boven de plee hangt is het enige dat ze uitbrengt, nadat ze haar mond heeft schoongeveegd: 'geef me te drinken'. Als de mannen voor even terugkeren, gloort er hoop, maar de relaties zijn al even verziekt als die tussen Eva en Gomoa.
Het stuk wordt steeds grimmiger en tegelijk surrealistischer wanneer Eva onder invloed van inheemse kruiden visioenen krijgt. Droom, delirium en werkelijkheid lopen door elkaar heen. Een jonge vrouw spreekt haar aan op haar geweten, wat uiteindelijk leidt tot een apocalyptisch einde.
Het is een bizar stuk, dat vooral vragen oproept. Door het indrukwekkende spel en de sterke enscenering desondanks overtuigend genoeg. Een gruwelijk sprookje over uitputting en uitbuiting: soms poëtisch, dan weer het cynisme voorbij.