Kleurrijk en vrolijk wapperen de lange stroken stof, off stage aangejaagd door een aantal ventilatoren: rood, groen, blauw, geel. Alle kleuren van de regenboog, een scherp contrast met de sneeuwwitte werkelijkheid waarin de voorstelling Sneeuw zich afspeelt.

Sneeuw verscheen in 2002 en geldt als een van de belangrijkste werken van Orhan Pamuk die er in 2006 de Nobelprijs voor Literatuur voor kreeg. Het is een literair meesterwerk vol tegenstellingen, vooruitwijzingen en symboliek, maar ook een politiek beladen boek: over Turkije als land tussen Oost en West, op de grens van twee wereldbeelden, worstelend met seculiere en religieuze waarden, met hoofddoekjes naast vrij wapperende haren en met een sluimerende terroristische dreiging, die helaas de afgelopen tijd alleen maar actueler en urgenter is geworden.

Luc Perceval (met zijn vaste scenograaf Katrin Brack) is heel ver gebleven van een poging dit immens rijke en complexe boek op realistische wijze te vertolken. Hij koos voor een extreem gestileerde beeldtaal en speelstijl. In het decor van gekleurde, verticale, banieren zie je maar zelden een personage helemaal; half verscholen zitten ze achter een van de banieren, ze gebruiken een van de stroken om zich een sluier aan te meten of ze spelen daarachter een schaduw-minnespel. Tegen deze achtergrond keert de dichter Ka na twaalf jaar in Duitsland terug naar zijn vaderland om een reportage te maken over Kars, zijn geboortestad die vanwege de sneeuwval totaal geïsoleerd raakt van de buitenwereld. Pierre Bokma speelt zowel de verteller als de hoofdpersoon, de dichter Ka; hij loopt voortdurend heen en weer over het toneel. Hij spreekt gedempt, soms bijna fluisterend waardoor het publiek de oren moet spitsen (alhoewel dat van de weeromstuit ook flink gaat hoesten); de andere spelers spreken zonder microfoon. Dat levert een groot verschil op in de kwaliteit van geluid; alleen als de andere spelers dichtbij hem komen te staan, kunnen zij ook subtiel en zacht spreken. Uitzondering vormt de Turkse zangeres Melike Tarhan die a capella een twaalftal prachtige liederen zingt: soms klaaglijk, soms troostrijk of mysterieus. De cast bestaat verder grotendeels uit spelers met Turkse roots, die af en toe in hun eigen taal spreken hetgeen de authenticiteit misschien verhoogt maar ook bevreemding oproept.

Het is allemaal erg mooi, esthetisch en verantwoord, maar een tikje bloedeloos, die extreme stilering. Dichterlijke weemoed, ambivalentie en theatrale verwarring overheersen, eerder dan de politieke realiteit of de liefdesgeschiedenissen (ja natuurlijk, die zitten er ook doorheen verweven). De voorstelling roept een mooi beeld op van een wereld vol mysterie en mogelijkheden. Een gestileerde, bijna abstracte voorstelling die de verbeelding aan het werk zet.