'Eigenlijk is het een verschrikkelijk stuk. Vier uur lang, een enorme hoeveelheid personages waarvan er aan het eind tien dood zijn. Een in en in zwart stuk.' Aan het woord is de oude poppenspeler die zijns ondanks beland is in Shakespeare's meest complexe en indrukwekkende drama's, King Lear.
Fred Delfgaauw en Ida van Dril hebben zich in hun nieuwe voorstelling verdiept in het koningsdrama en het dichterbij onze tijd gebracht. In hun enscenering wordt het grote aantal personages teruggebracht tot een behapbaar aantal, gespeeld door twee acteurs en een handvol poppen.
Centraal staat de oude poppenspeler die net als destijds King Lear bedrogen wordt door zijn dochters. Althans, door de oudste twee want Cordelia, de jongste, heeft hij zelf verstoten omdat hij dacht dat ze niet genoeg om hem gaf. Hij zit in een verpleeghuis waar hij mopperend zijn dagen slijt in zijn pyjama en geruite sloffen, gekoeioneerd door het verplegend personeel. De jongste dochter heeft maar één kist met spullen weten te redden uit het ouderlijk huis dat door haar oudere zusters ('Aha. We hebben een volmacht van de notaris') helemaal is leeggeplunderd: alleen de kist met King Learspullen neemt zij mee naar haar vader. Ze hebben elkaar niet meer gezien sinds de breuk, maar, zegt de dochter, als zij haar trots niet laat varen, gebeurt er niks. Een confrontatie is onvermijdelijk.
Op slimme wijze worden zo heden, verleden en de actualiteit met elkaar verbonden. Uit de kist komen steeds meer personages: de nare zusters, de nar, King Lear zelf en Gloucester, de Graaf wiens levensverhaal parallellen vertoont met dat van Lear.
Delfgaauw is een meester in het poppenspelen en Van Dril is zijn leerling, inmiddels een volleerde leerling. Zodra zij de prachtig gemaakte poppen laten spreken, gebeurt er wat bijzonders: ze komen echt tot leven. De nar in zijn narrenpak (die een beetje lijkt op Freek de Jonge) is een verbindend personage. Van hem komen de meeste wijsheden. De koning zegt: 'Niets is wat het lijkt'. De nar: 'Niets lijkt wat het is'.
Wat mist in het stuk, is de complexiteit en de gelaagdheid van Shakespeare's taal. De teksten lijken soms eerder afkomstig uit Psychologie Magazine of Zin: je moet 'de angst onder ogen zien', 'mijn vader lijkt een knorrige man, alleen ik weet dat diep van binnen liefde zit', 'iedereen wil tegenwoordig tegelijk opvoeden en carrière maken, dat kan toch niet'. Misschien had de voorstelling beter Mijn King Lear kunnen heten. Nu valt de vergelijking met het origineel – en dat kan ook niet anders in een voorstelling waarin zoveel is weggelaten – uit in het nadeel van de nieuwe versie.
Wel aangrijpend is de analogie van King Lears tragische lot met dat van de poppenspeler. Allebei zijn het oude mannen, terugkijkend op hun leven, vol razernij en frustratie over gemaakte fouten en gemiste kansen. Gelukkig eindigen beide verhaallijnen, die van King Lear en die van de poppenspeler, ten slotte toch in een verzoening tussen vader en dochter.