Eens in de tien jaar, hebben ze afgesproken, brengen ze samen een dag door. Sinds hun ouders, vermogende mediagiganten, omgekomen zijn bij een vliegtuigongeluk, is een decennium verstreken. De tweelingbroers zijn nu dertig en ze ontmoeten elkaar in het ouderlijk huis dat leegstaat, maar niet verkocht wordt. Op de achtergrond drupt een nat laken in een regenton, aldus het barre herfstweer buiten suggererend. De broers, Bram (Oscar van Woensel) en Bart (Kuno Bakker), zitten aan het eind van die dag voor een allerlaatste afzakkertje in de oude, vertrouwde leunstoelen. Ze hebben al het nodige achter de kiezen en dat ene afzakkertje worden er vele. Tussen ons gezegd en gezwegen, het nieuwe toneelstuk van de uiterst productieve Oscar van Woensel, is een amusant, maar ook treurigstemmend dronkemansgesprek.
Dronkaards spreken de waarheid, zegt de volksmond, maar in deze dialoog wordt meer verhuld dan onthuld. De broers spreken in ultra-korte zinnetjes van vaak niet meer dan een woord en zowel uit de mimiek als uit het taalgebruik straalt het overmatige drankgebruik je aan alle kanten tegemoet. De ogen liggen wat onvast in de kommen, af en toe zwabbert er een arm de verkeerde kant uit en ze doen allebei hun best die dubbele tong in bedwang te houden. Dat werkt komisch en herkenbaar en ook het soms ongelooflijk slappe geouwehoer werkt behoorlijk op de lachspieren.
Geldzorgen hebben ze niet, ze hebben een gigantisch vermogen geerfd en allebei zijn ze kunstenaar geworden. Bart doet iets met installaties' en Bram componeert. Beide hebben kinderen gekregen, maar Bram ziet de zijne nooit meer, sinds zijn vrouw hem heeft verlaten. Over de liefde willen ze het liever niet hebben, zoals over vrijwel elk onderwerp dat de revue passeert, een veto wordt uitgesproken. Niet over vroeger praten, niet over kunst, niet over politiek, niet over de nachtelijke angsten en vooral, asjeblief, niet over vroeger. Negeren en verachten' is het credo van Bram en zijn broer heeft een weinig vrolijker kijk op het leven. Ze denken allebei met de nodige afschuw terug aan hun jeugd, maar waarom wordt niet precies duidelijk. Omdat nergens over gesproken mag worden, wordt er hooguit wat aangestipt hier en daar, maar niets expliciet gemaakt. De suggestie wordt gewekt van een conflict tussen de tweelingbroers, maar ook dat wordt onmiddellijk weggestopt. Je komt er niet achter of deze twee door en door cynische oude mannen van dertig nu een geheim hebben uit het verleden dat doorvreet in het heden of dat de schrijver een portret van een generatie wil schetsen die alles heeft, maar nergens om geeft. In beide gevallen geeft dat Tussen ons gezegd en gezwegen een lichtelijk verontrustende, maar ook onbevredigende nasmaak.