Met een filtersigaret tussen de lippen geklemd, komt de actrice haar hotelkamer binnen. Ze smijt haar weekendtassen op bed en trekt een fles wijn uit de ijskast. Tijd om een glas te zoeken gunt ze zich niet, ze zet de fles zo aan haar mond. Drank en sigaretten vormen kennelijk belangrijke ingedienten in het leven van deze al wat oudere actrice die zich voorbereidt op de titelrol in Racine's drama Phedre. Met de walkman op repeteert zij haar tekst, aanvankelijk onverstaanbare zinnen prevelend. Gaandeweg wordt haar dictie steeds helderder en overtuigender en heeft ze taperecorder noch script meer nodig. De dramatische zeggingskracht stijgt recht evenredig aan het alcoholpercentage. Het is voor het eerst sinds lange tijd na zijn fameuze U bent mijn moeder uit 1981 dat Joop Admiraal weer een solo-voorstelling speelt. Net als toen is het weer een vrouwenrol, al staat Phedre hem vermoedelijk aanzienlijk minder nabij dan zijn moeder destijds. Handeling is er weinig, in de keurige hotelkamer waar het rozebespreide bed de centrale plaats inneemt. De tekst die de actrice uitspreekt, bestaat louter en alleen uit de monologen van Phedre, aangevuld met enkele voor het begrip noodzakelijke teksten van andere sleutelpersonages in het noodlotsdrama. Statige zinnen, door Laurens Spoor opnieuw vertaald in onberijmde alexandrijnen, over de wanhopige liefde die Phedre opvat voor haar stiefzoon en die tot de ondergang van beiden zal leiden. Betekenis krijgt het stuk vooral door de tweede laag, die van de actrice die meer en meer lijkt samen te vallen met haar personage. De manier waarop ze, achteroverliggend op bed, haar limonadeglas wijn over haar dijen en borsten laat glijden, verraadt een grote hunkering naar liefde. Tussen de bedrijven door zapt ze af en toe wat, fragmenten van een talkshow over onbeantwoorde liefde, een smartlap, scenes uit speelfilms die beelden oproepen van Marilyn Monroe en andere grote vedettes. Ze voegen een derde laag toe, door de subtiele verwijzingen naar de verschillende manieren waarop die vrouwen met hun al dan niet beantwoorde grote liefdes omgaan. Geestige momenten zijn er ook: vooral de scene waarin de actrice een zakje chips opentrekt en de inhoud tussen de volzinnen door -kraak, kraak- naar binnen propt is hilarisch. Het drama van Phedre krijg je bijna tussen neus en lippen door naar binnen geschoven, maar het leed van een oudere actrice (wat mij betreft trouwens iets te karikaturaal tuttig in haar mosterdkleurige jurk met beige ondergoed) op een eenzame hotelkamer, dat wekt grote deernis.