"Ik kon toveren met deze romp, met deze handen Dat kan ik nog steeds als ik dat wil (…) Ik kan de wereld laten veranderen."
Ze ligt in bed, de hoofdpersoon in ROMP, het nieuwe stuk van De Gemeenschap, een ziekenhuisbed dat alle kanten uit kan bewegen en omhoog kan worden getakeld. Helemaal ingepakt in het wit – witte lakens, wit kussen, wit schaapsvachtje – ligt daar Karina Holla. Alleen haar hoofd is zichtbaar. Ze praat, ze schreeuwt, ze krijst. De ruimte is leeg, tegen de achterwandverticale schermendie hard licht geven. Op een krukje zit zwijgend en zonder te bewegen Gerardjan Rijnders. Af en toe staat hij op, loopt naar haar toe en verandert iets aan de positie van het bed, zonder het zwijgen te doorbreken. De vrouw doet af toe even haar ogen dicht, praat dan weer door. Aanvankelijk vol verzet: het eten smaakt haar niet, ze heeft pijn en waarom ligt ze daar zo opgesloten? Maar gaandeweg komt er meer nuance in haar stem: haar kracht heeft haar nu verlaten, maar , ze weet het zeker, die komt weer terug. En er komen herinneringen op aan wat mooi was in haar leven. Ze was nooit moe, ze was een gems, altijd in beweging. Ze leefde voor de kunst. Het mooie van de tekst van Rob de Graaf is het circulaire karakter. Wat ze zegt is paradoxaal en tegenstrijdig, zoals het leven zelf.
ROMPis een voorstelling over oud en ziek zijn en toch hartstochtelijk blijven geloven in de verbeelding. Dankzij het sterke spel van Karina Holla is ROMP, in tegenstelling tot wat je misschien zou verwachten,een voorstelling waarin het leven wordt gevierd. Met haar mond en haar ogen – klein vogelkopje in dat grote witte bed en in die vrijwel lege grote ruimte – weet de 'koningin van de mime' een sterke vrouw neer te zetten die fascineert en ontroert.
De voorstelling roept reminiscenties op aan Becketts Happy Days, dat ook bestaat uit een lange monoloog van een stervende vrouwdie tegen een vrijwel zwijgende man praat. In ROMPgaat de man dansen, als de vrouw eindelijk zwijgt en haar ogen sluit. Naakt zwaait hij met zijn armen als een stervende zwaan en hij krimpt in elkaar met stuiptrekkende bewegingen. Krachtig en breekbaar tegelijk. In zijn slotmonoloog klinkt troosteloosheid door en afstand nemen. Onvermijdelijk misschien voor degene die achterblijft.