Het huwelijk is in en overspel is uit, althans als je de opiniepeilingen moet geloven. Waar in de jaren zeventig in vooruitstrevende kringen vrijheid, ook in seksueel opzicht, nog als hoogste goed werd beschouwd, schijnt nu de een-op-een-relatie weer zaligmakend.
Misschien dat daarom iets van de geest van de jaren zeventig kleeft aan Bermuda Driehoek, een voorstelling van en met Han Römer, Titus Tiel Groenestege en Maike Meier. De titel refereert naar 'het zwarte gat' in de Atlantische Oceaan waarin vliegtuigen en schepen op onverklaarbare wijze schijnen te verdwijnen. Het uitgangspunt voor Bermuda Driehoek is de klassieke driehoeksverhouding en ja, waarom zou je eigenlijk niet van twee mannen tegelijk kunnen houden? De mannen in kwestie, Fjord en Fredo, zijn al jarenlang elkaars beste vrienden, bloedbroeders noemen ze zich. Theoretisch stellen ze hun vriendschap boven de liefde: "Vrienden worden groter door elkaar. Vrienden hoeven elkaar niet te ketenen zoals in het huwelijk...", zegt de een tegen de ander. Desondanks komt er een flinke barst in de vriendschap als ze allebei hun hart verliezen aan dezelfde vrouw.
Eerder maakten Han Römer en Titus Tiel Groenestege samen drie voorstellingen (Ockhams Scheermes, De Olifantsdracht en Optisch Bedrog), waarin zij het raadsel van de man trachtten te doorgronden. In Bermuda Driehoek komt de vrouw om de hoek kijken. Letterlijk: de heren zitten in leunstoelen aan weerszijden van het podium dat gedomineerd wordt door een grote, houten lijst. Daar stapt de vrouw achter vandaan op het moment dat de vrienden een goed gesprek voeren over de ideale vrouw: gekleed in een mooie, sexy jurk, hoge pumps, met een waterval aan roodbruine krullen en enorme nepwimpers. Een eigentijdse Barbie-pop, meer een projectie van mannenverlangens dan een vrouw van vlees en bloed. En dat is een van de mindere kanten van deze voorstelling: de makers zijn er niet in geslaagd de clichés van hoe mannen naar vrouwen kijken te overstijgen. Maike Meier fladdert met haar nepwimpers van de een naar de ander en tuit haar mondje koket, maar haar personage heeft te weinig inhoud om te kunnen boeien.
De tekst is niet altijd even sterk, veel grappen zijn ronduit melig. Het zijn ook eerder sketches dan dat er een dramatische verdieping ontstaat; de cabaretachtergrond van met name Titus Tiel Groenestege is evident. Geestige sketches met aardige woordgrappen worden afgewisseld met banale momenten. Het zijn luchtbellen, net zo gauw verdwenen als de vliegtuigen en schepen in de Bermuda Driehoek zijn opgelost.