Op mannen hebben ze het niet erg begrepen, de loslopende vrouwen die Haye van der Heyden in zijn nieuwe stuk schetst. De oudste, Paula heeft zich ooit laten bezwangeren door een bobsleeënde Fin van wie ze alleen de voornaam, Jari, kan uitspreken; haar dochter Jacqueline woonde in een commune die aan vrije seks deed, zodat haar dochter Iris is verwekt in een blend van 'geitenwollensokkentypes'.

Alle drie zijn het vrouwen die zich niet kunnen of willen binden aan een man. Toch stapt er een heer binnen in hun leven in de vorm van een mysterieuze, maar aantrekkelijke bovenbuurman met een slaapziekte. Op het dakterrras van Jacqueline ontmoeten zij elkaar en een voor een worden de dames ingepalmd. Vrijwel alle gesprekken worden gedomineerd door de wederzijdse afkeer die zij uitgebreid etaleren.

Hoewel het thema van de moeder-dochter-verhouding interessant genoeg is, geeft schrijver Haye van der Heyden een nogal zwakke en karikaturale uitwerking aan het gegeven. Enige psychologische diepgang ontbreekt en de dialogen lijken vooral aan damesbladenclichés ontleend. Vooral na de pauze begint het te trekken, wanneer Jacqueline tot vervelens toe dreigt van het dakterras te springen, zonder dat dat veel reactie oproept bij moeder ("Happy landings!") of dochter. "Familie", concludeert Iris, "is net zoiets als aardappelen. Het beste deel zit onder de grond."

Gelukkig staan er wel drie rascomédiennes op het podium die het stuk met vaart en verve door de zwakke delen heen loodsen. Kitty Courbois is lekker vals als de koele, onbewogen en vampige oma; Trudy de Jong, het afgelopen seizoen nog gelauwerd met de Theo d'Or voor haar rol in Kaspar, schittert als de hysterische Jacqueline en ook het jonge talent Ricky Koole weet zich tegenover dit ijzersterke duo danig te weren als de nuchtere Iris. De buurman (Hans Cornelissen) hoeft in dit gevecht tussen vrouwen alleen maar mysterieus en mooi te wezen; van wezenlijk belang is hij niet.