Geïrriteerd pulkt de oude Max aan zijn afgesleten wandelstok. Met zijn witte hemd, zijn geruite pantoffels en zijn wijd openstaande broek die omhoog wordt gehouden door bretels, maakt hij een armoedige en een tikje louche indruk. Hij tiranniseert met wisselend succes zijn huisgenoten: zijn broer Sam en zijn twee volwassen zoons Lenny en Joey. Sinds de dood van zijn vrouw Rosie, die hij evenzeer beschimpt als ophemelt, gaat het er nogal treurig aan toe in het mannenhuishouden.

In De Thuiskomst (1965) van Harold Pinter gaat het om de confrontatie van de oudste zoon Teddy, de enige die zich aan het milieu lijkt te hebben ontworsteld door ver weg carrière te maken, met de thuisblijvers. Zes jaar geleden is hij met stille trom vertrokken en nu komt hij voor het eerst naar het ouderlijk huis, samen met zijn aantrekkelijke echtgenote. De aanwezigheid van een vrouw verstoort de betrekkelijke harmonie van het mannenhuishouden totaal, met vergaande gevolgen.

De stukken van Het Volk worden vaak vergeleken met die van Pinter. Pinter heeft zich evenmin onverdienstelijk betoond als het gaat om het fenomeen dat Het Volk nu al 25 jaar van alle kanten belicht, het Mannelijk Onvermogen. Andere thema's die zijn werk kenmerken, zoals het absurdisme of het langs elkaar heen praten van de personages, zijn voor de mannen van Het Volk eveneens bekende gegevens. Het is dan ook een voor de hand liggende keuze om eens een stuk van Pinter op het repertoire te zetten.

Toch wringt er iets in hun versie van De Thuiskomst. Het werk van Pinter komt het meest tot zijn recht als de spelers niet zozeer in de huid van hun personages kruipen, maar er een zekere afstand toe houden. Juist door een lichte vorm van vervreemding kan de spanning, die in Pinter's dialogen zit, optimaal worden uitgebuit.

/In deze regie van Aike Dirkzwager ligt de nadruk teveel op het schetsen van een eenvoudig sociaal-realistisch plaatje. Pa Max (Wigbolt Kruijver) is een oude kwijlebal, de boksende zoon Joey (Bas Heerkens) een vechtbal op pootjes, en Teddy, de professor, een uitgesproken droogkloot. Het mysterie ontbreekt en daarmee wordt de angel uit het stuk gehaald. Alleen Bert Bunschoten weet als zoon Lenny zijn personage de vereiste dubbelzinnigheid en daarmee spanning mee te geven.

De dialogen klinken hier en daar wat gekunsteld. In de eigen stukken van Het Volk vormen de altijd aanwezige ironie en de dubbele bodems een fundament waarop de acteurs zich ten volle kunnen ontplooien. Het werk van Pinter vraagt om een andere aanpak: minder vet, subtieler en preciezer. Met de wat grove streken van Het Volk komt het verfijnde palet van Pinter niet tot zijn recht.