Het is kerst 1904 in Dublin en zoals elk jaar wordt er een groot feest gevierd voor familie en bekenden. De mensen komen binnen, ze drinken wat en storten zich in het feestgedruis.In De Doden, de slotnovelle uit Dubliners, beschrijft James Joyce tot in detail het partijtje van de ongehuwde zusters Morkann en de daarop volgende dag. Ger Thijs bewerkte de novelle, die eerder verfilmd is door John Huston, nu voor toneel. Twaalf jaar geleden maakte Ger Thijs met Jan Ritsema en Marjon Brandsma een succesvolle voorstelling Het, ook gebaseerd op een verhaal van Joyce. In De Doden wordt het drietal aangevuld door Frieda Pittoors.

Aanvankelijk wordt de toeschouwer nogal op de proef gesteld. De gedetailleerde beschrijvingen van het feestgewoel zijn door Joyce prachtig beschreven en ze worden mooi verteld door de drie acteurs, maar je vraagt je toch even af of je een goed boek niet beter gewoon kunt lezen, lekker thuis in bed of op de bank. Gekozen is voor een stijl waarin de acteurs beurtelings vertellen wat er gebeurt, waarbij ze zo nu en dan even in de huid van een personage kruipen, om vervolgens moeiteloos weer over te gaan in een afstandelijke vertelvorm. Alsof ze met z'n drieen een gedeelde herinnering ophalen, waarin de accenten telkens iets verschuiven. Centraal staat Gabriel Convoy die neergezet wordt als een man van de wereld, beschaafd, intelligent converserend en in keurig driedelig grijs gestoken. Toch lijkt er steeds iets mis te gaan in de communicatie tussen hem en de andere feestgangers. Een goed bedoelde opmerking tegen Lily, het dienstmeisje dat ze binnenkort wel toe zal zijn aan een huwelijk, valt in volstrekt verkeerde aarde; de passie voor het Ierse vaderland van Miss Ivors kan hij niet echt meevoelen en zo zijn er meer momenten waaruit een zekere verkramptheid blijkt ten opzichte van de anderen. Langzaam maar zeker spitst het verhaal zich meer en meer toe op de verhouding van Gabriel met zijn vrouw Gretta. Als hij haar ziet staan op de trap, luisterend naar muziek die ver weg klinkt, komt hij plotseling tot het besef dat zij in zekere zin een vreemde voor hem is gebleven. Haar jeugdliefde voor de jonggestorven Michael Fury, blijkt uit het vervolg, moet voor haar een veel gepassioneerdere ervaring zijn geweest dan de vele armzalige jaren dat zij, zo goed en kwaad als het ging, samen hebben geleefd. Naar het einde toe wordt de melancholie om dat in feite niet of maar half geleefde leven heel invoelbaar.