Struikelend komt Elsje de Wijn de kamer binnenvallen, letterlijk alles uit de weg ruimend wat haar tegenhoudt. Enigszins scheef en hoekig harkt ze zich door het leven, met een gestoorde motoriek en een desondanks kordate tred. Zij heeft altijd alleen gezorgd voor haar inmiddels bijna volwassen, maar lastige zoon. Bijna twintig jaar na zijn verwekking komt zij de vader confronteren met het resultaat van hun one-night-stand. Trudy de Jong en Theo de Groot spelen het echtpaar dat kinderloos is gebleven, na drie miskramen op rij. De ontdekking van het overspel en de aanwinst van een zoon levert een geestige relatiesoap op waarin de midlifecrisis, de laatste tijd toch al erg in de mode, centraal staat.

Tjeerd Bischoff schreef eerder de tekst voor de lunchvoorstelling Dorst, dat met veel succes is gespeeld en tot de oprichting van de gelijknamige toneelgroep leidde. Drang is hun tweede stuk, opnieuw in regie van Porgy Franssen.

Toneelgroep Dorst biedt ruimte aan twee geweldige comédiennes om weer eens flink uit te pakken. Het is een slim idee om, bij gebrek aan rollen voor 'oudere' actrices, het heft in eigen handen te nemen. Tjeerd Bisschof schrijft geestige dialogen, al wordt er wel erg gemakkelijk uitgehaald naar de voormalige feministisch-socialistische idealen. Daar staan mooie observaties tegenover. Hoewel het basisidee enigszins ongeloofwaardig is, biedt het de schrijver volop mogelijkheden om flink uit te pakken in het portretteren van de personages, elk bezig met hun eigen midlife-perikelen. Het beste komt de rol van Trudy de Jong uit de verf. Zij slingert heen en weer tussen cynisme en tederheid, tussen hoop en hysterie. Na twintig jaar huwelijk is er weinig krokants meer te ontdekken aan haar relatie met Wouter (Theo de Groot). De komst van de 'Verloren Zoon' werkt als een katalysator op de zorgvuldig bedekte kwetsures bij beide echtelieden: zij wordt hysterisch bij het idee van een kind dat haarzelf altijd is ontzegd; hij, al in een crisis omdat hij zijn oude idealen nergens meer terugvindt in een opppervlakkige en materialistische maatschappij, twijfelt aan alles.

De regie lijkt niet altijd synchroon te kopen met het tempo van het stuk: sommige scènes denderen voorbij, anderen duren nogal even. Enerzijds is gekozen voor ingeleefd spel, anderzijds voor stilering. Met name in de rol van Elsje de Wijn botsen die twee principes. Door dat scheve, struikelende spel, dat sterk doet denken aan de stijl van Frans Strijards, (wat Elsje de Wijn overigens voortreffelijk afgaat), wordt zij teveel in een eendimensionale rol gedwongen. Haar personage is best wel grappig, maar schrijnen doet zij niet. Dat geldt ook voor de voorstelling.