Moed kan de nieuw opgerichte toneelgroep onder leiding van Hans Croiset, simpelweg genoemd Het Toneel Speelt, niet ontzegd worden: de keuze voor Jozef in Dothan (1640) is zeker geen gemakkelijke gooi naar een snel succes te noemen. Vondel baseerde zijn stuk, het eerste van zijn Jozef-trilogie, op het boek Genesis waarin het verhaal verteld wordt van de onnozele Benjamin' Jozef -de zoon van Jacob en Rachel-, die later de onderkoning zou worden van Egypte. Zover komt het in dit eerste deel nog lang niet; voorlopig wordt Jozef door zijn broers (zonen van Jacob's veel minder geliefde, eerste vrouw Lea) uit jaloezie in een put geworpen in de verwachting dat hij daar nooit meer uit zou komen. Jozef's dromen en visioenen dat hij eens de uitverkoren leider van een groot volk zal zijn, hebben niets dan jaloezie, haat en nijd opgeroepen bij zijn oudere broers.
Regisseur Hans Croiset laat het stuk beginnen met een voorlezing: met keppeltjes getooide, joodse mannen lezen, geschaard rond een smalle tafel, fragmenten uit het verhaal van Jozef in Dothan. Zij vertegenwoordigen het koor en keren na elke gespeelde scene weer even terug. Door deze ingreep wint het stuk aan kracht, het verhaal krijgt er een meer universele betekenis door, het wordt als het ware buiten de tijd getild.
Soberheid en eenvoud kenmerken zowel het decor-niet meer dan een ruig, vierkant vloerkleed en twee grote rotsblokken- als het spel. De statische mise en scene laat veel aan de verbeelding van de toeschouwers over en van de toch wel zware verzen van Vondel springt slechts bij vlagen een vonkje over. De grote uitzondering op deze sobere spelopvatting vormt Reinier Tweebeeke die schitterende licht- en wolkenpartijen uit de lucht tovert; bijna onwerkelijk mooie plaatjes die spiegelbeeldig het dramatische verloop vertolken.
In enkele scenes, met name die waarin Ruben (Hans Hoes) en Juda (Rudolf Lucieer) op de voorgrond treden, wordt de monotonie van de verzen even doorbroken. Een toneelgigant als Jules Croiset, normaal tot in de nok van het theater verstaanbaar met zijn heftige, exuberante speelstijl en krachtige stemgeluid, was dusdanig getemd dat hij amper opviel. Francis Broekhuysen, die de titelrol speelde, verraste als enige met spel dat bruiste van jeugd, elan en energie.
Het Toneel Speelt wil zich een plek verwerven in het vaderlands toneelbestel met "het overbruggen van de kloof die dreigt te ontstaan tussen het repertoire-toneel en het publiek". De vraag is of dat lukt met deze Vondel-vertolking: mooi, degelijk teksttoneel, esthetisch verantwoord en adequaat vertolkt, maar te statisch en te vlak om die gesignaleerde kloof te overbruggen. Het Toneel Speelt nog te weinig.