De nacht na de feestelijke première in Gent van zijn Woyzeck stierf regisseur Eric De Volder aan een hartaanval. Hij was een van die bijzondere Vlaamse talenten, wel eens 'het beste bewaarde geheim van Gent' genoemd. Echt doorgebroken bij het grote publiek is hij nooit, al was hij in theaterkringen een bekend en bemind man. Daarvoor was hij misschien ook te wars van uiterlijk vertoon, te anarchistisch en eigenzinnig. Woyzeck is dus onbedoeld zijn artistieke testament: alles wat hem als theaterman in hart en nieren kenmerkte, is erin terug te vinden. De stijl van de voorstelling, die dinsdagavond in de Toneelschuur in Haarlem haar Nederlandse première beleefde, is exuberant en overdadig: zwaar geschminkte personages, een groteske speelwijze, felle kleuren, verwijzingen naar het lijden van Christus en niet te vergeten de muziek van Dominique Pauwels. Gelardeerd met een scheutje Vlaamse humor. Niet teveel want Woyzeck is en blijft een regelrechte tragedie: 'dat we sterven aan 't end tis al bekend'. Eric de Volder heeft in zijn enscenering twee elementen toegevoegd aan Woyzeck: hij heeft zijn hoofdpersonage, die altijd alleen bij zijn achternaam wordt genoemd, een voornaam gegeven: Frans. En een dochter, het doofstomme meisje Minna. Met haar begint en eindigt de voorstelling: vooraf huppelt zij vrolijk en wat eenzaam rond op het grote podium, na afloop van de moord op haar moeder Marie, begint zij voor het eerst klanken uit te stoten.De fragmentarische tekst van de jonggestorven toneelschrijver Georg Büchner (1837) heeft De Volder bewerkt in zijn eigen, poëtische taal: 'Waarom is de mens? Awel. Daarom'. Het voltallig ensemble zingt zo nu en dan, ondersteund door een vooraf opgenomen koor en orkest. De muziek van Dominique Pauwels, die zich heeft laten inspireren door de opera buffo, speelt dan ook een grote rol. Soms gaat die overdaad in beeld en geluid ten koste van de simpele vertelling. De vorm schept een afstand, net als het gegeven dat de acteurs meezingen met geschoolde zangers op band, wat niet altijd even goed uitpakt. Door de kunstmatigheid van het concept wordt de afstand groter, ondanks de pogingen om het personage Woyzeck meer van dichtbij te leren kennen en niet als een politieke abstractie, zoals in veel ensceneringen. Daar staat een sterk hoofdpersonage tegenover; Oscar Van Rompay is met zijn magere lijf en zijn geschminkte wanhoopstrekken een ideale Woyzeck. Vooral zijn hilarische optreden als aap op de kermis maakt grote indruk. Ook de andere acteurs overtuigen, met name de rol van de wachtmeester wordt briljant ingevuld door Frank Focketyn. Al met al is deze Woyzeck een mooi afscheid van De Volder: een staalkaart van fysiek acteren, verteltheater in plat Gents, afgewisseld met opera, een ijzersterke beeldtaal die evenzeer doet denken aan de Ausdruckstanz en het expressionisme van de jaren twintig als aan grand guignol. Rijk, dwars, grotesk, associatief, soms overdadig in zijn gekte, maar doordesemd met de in en in poëtische taal van De Volder.