Minutenlang loopt de man te ijsberen door de ruimte, die het midden houdt tussen een lelijke theaterfoyer en de noodopvang van een ziekenhuis in verbouwing. Hij kijkt eens om zich heen, negeert de doordringend rinkelende telefoon en pakt tenslotte een kopje van een stapel koffiekopjes af. Niet veel acteurs kunnen zo'n scène waarin op het eerste gezicht werkelijk niets interessants gebeurt zo spannend maken als Peter Van den Eede. Met zijn markante kop, zijn magere lijf en zijn mime-talent is hij een fenomeen in het genre waar de Koe in excelleert: toneelstukken waarin absurdisme en slapstickachtige scènes wedijveren met diepe filosofische gedachten. Werkelijkheid en theater, ratio en gevoel, zin en onzin; in de zelfgeschreven tekst wordt veel overhoop gehaald.
Niet dat er veel gebeurt. De drie mannen, keurig in het pak, drentelen wat rond, pakken af en toe eens een kopje koffie en tasten elkaar af in voorzichtige gesprekken. Of ze elkaar kennen of niet, het wordt niet helemaal duidelijk. Want wat is dat eigenlijk: elkaar kennen? Ze leren elkaars namen uit het hoofd, maar ja: "what's in an name?" Telkens duikelt de conversatie die op een oppervlakkig niveau begint, naar een ander niveau. "Wie ben ik eigenlijk?" is de kernvraag die regelmatig terugkeert. Niemand kan zichzelf helemaal kennen en de ander al helemaal niet, concludeert het drietal. Uiteindelijk gaan voorstellingen van de Koe ook altijd over de onmogelijkheid om werkelijk met elkaar te communiceren
Het is niet altijd even abstract. Bijna cabaret wordt de voorstelling op een paar momenten, bijvoorbeeld wanneer Peter Van den Eede ingaat op zijn herinneringen aan de saaie BRT-televisie-avonden van vroeger: "Hele lange avonden waren dat! Als aan het eind van de avond de omroepster eindelijk welterusten zei, waren we kapot."
Meestal wordt er slap geouwehoerd, maar wel superieur slap geouwehoerd. De kracht van De Koe zit vooral in de manier van spelen, waarbij de acteurs dicht bij zichzelf blijven en vanuit een grote oprechtheid en nieuwsgierigheid naar de wereld kijken. Tegelijkertijd zijn zij meesters in de lichaamstaal: door een tikje achterover te leunen, door een handgebaar en vooral door hun blikrichting weten zij voortdurend een tweede spanningslaag aan te brengen.
Met hun droge humor vormen ze een onweerstaanbaar trio dat knap balanceert tussen hoogdravende filosofische inzichten, aardse beweegredenen en pure slapstick.