Met onwezenlijke blik kijken ze om zich heen, als vreemde bewoners van een onbekende planeet. Ze lijken nog het meest op een kruising tussen de vijanden van de Voyager uit Star Trek en de absurdistische personages van cartoonist Gummbah. Met bochels en dikke konten in identieke trainingspakken en voorzien van een Beatrixpruik zijn ze geslachtloos en ontdaan van elke persoonlijkheid. Ze hebben de motoriek van een robot en de expressie van een zombie na een overdosis valium.
Praten kunnen ze wel, al is het op monotone wijze en in halverwege gestaakte pogingen tot een volzin. Klinkklare nonsens soms, vaak clichés van de bovenste plank: "dan is de oceaan diep hè, als je zinkt...." en conventionele dialogen van het niveau: " de neef van mijn vrouw, die heeft een kennisje en die...." Dat klinkt weinig aantrekkelijk, maar Theatergroep Carver slaagt er wonderwel in om zo'n op het eerste gezicht onspeelbaar onderwerp tot leven te wekken.
Brigadier Fub of het eeuwig menselijke is grotendeels geïnspireerd op de striptekeningen van Gummbah, die ook nauw betrokken is bij het maken van de voorstelling. Zijn inktzwarte visie op de mensheid sijpelt in alles door, al is er voor de goede verstaander ook nog wel een sprankje levensvreugde of zelfs hoop te vinden en in elk geval veel humor. Een tweede inspiratiebron wordt gevormd door de overdosis mediagewauwel waaraan de gemiddelde radioluisteraar en televisiekijker dagelijks wordt blootgesteld. Veel van de dialogen bestaan uit het soort oeverloos gezwets van quasi-deskundigen en, erger nog, van getuigen van een bepaalde gebeurtenis die meestal hoegenaamd niets hebben toe te voegen aan het (gebrek aan) nieuws. De voorstelling speelt zich af in een afgesloten soort ruimteschip, waarin slechts een klein raampje en een glijbaan toegang tot een mogelijke buitenwereld bieden. De spelers reageren met hun bewegingen op elkaar: soms verstarren ze of ze hollen achter elkaar aan. Altijd gebeurt er wat in een spannende choreografie die op zichzelf lijkt te staan; logisch verband met de tekst ontbreekt veelal. Heel af en toe verliest de enige man, Ton Kas, zich in een onwillekeurig danspasje, dat schielijk door de anderen wordt overgenomen. Het is een curieuze wereld, die van Brigadier Fub of het eeuwig menselijke. Door het knappe spel, de subtiele mimiek en de droogkomische toon slaagt Carver erin te blijven boeien, al is er geen sprake van een dramatische boog. Vergeefs probeert brigadier Fub aan het eind te ontsnappen door tegen de glijbaan omhoog te klauteren, maar er is geen ontkomen aan dit dwingende universum.