Op de autosloperij wordt gesleuteld aan een driewielertje. De drie werknemers, waaronder een in soepjurk met hoofddoek mal uitgedoste Rene Groothof, rommelen wat rond tussen de oude troep.

Een verhaal is nauwelijks te ontdekken in Fanfare, de nieuwe voorstelling van B & D, het gezelschap van Loek Beumer en Peter Drost, een van de weinige jeugdtheatergezelschappen die zich wagen aan het grote zaalcircuit. Met Brandweermannen en met Cowboys scoorden ze een grote hit en ditmaal toeren ze door het land met een heus fanfare-orkest, bestaande uit acht musici.

Fanfare is een voorstelling waarin kleine, absurdistische scènes zonder veel overtuiging aan elkaar zijn gemonteerd. De rode draad wordt gevormd door de muziek: elk geluidje dat ontstaat doordat bijvoorbeeld iemand tegen een roestig stukje oud metaal slaat is aanleiding voor de musici om los te barsten in geschetter van tuba en trombone.

Natuurlijk wordt er veel gebruik gemaakt van de attributen die je op een autosloperij aan kunt treffen: van een paar oude autodeuren en een opgekalefaterd oud motortje wordt een auto in mekaar geflanst waarmee na een paar halsbrekende toeren de coureur vervolgens uit de bocht vliegt. Met behulp van een paar accu-opladers wordt hij gereanimeerd.

Even later komt de doodskist opnieuw goed van pas wanneer de moeder (René Groothof, nog steeds in soepjurk) van Leo en Ben de geest geeft, maar ook zij krabbelt weer overeind en doet nog een keer de acrobatische trucjes waarmee zij vroeger optrad in het circus.

Flinterdun is het allemaal. De voorstelling wordt overeind gehouden door het enthousiasme van de musici en door het talent van de acteurs, die, ook al hebben ze nog zo weinig om handen, van bijna niets toch nog iets weten te maken.