Het zijn zo langzamerhand oude bekenden geworden: Kampschuur, de docent Nederlands die worstelt met een alcoholprobleem; Van Velzen, de docent biologie, die net is geopereerd aan zijn prostaat en de rector van de school, die pasgeleden door zijn vrouw het huis uit is gezet. De jaarlijkse toneelavond voor hun leerlingen moet natuurlijk gewoon doorgaan, ondanks alle persoonlijke problemen. En dus wordt er keihard gerepeteerd aan Jozef in Dothanvan Vondel, maar dan wel in een ingrijpende bewerking.

Het Volk in Dothan is het hilarische resultaat, een reprise uit 1996, op 'veler verzoek' terug op de planken in het seizoen dat Het Volk veertig jaar bestaat. De vorm is bekend van bijvoorbeeld Oidiepoes (2008), naar het gelijknamige Griekse drama. Het is een vorm, waarin de niet geringe kwaliteiten van Het Volk optimaal worden uitgebuit. Zoals daar zijn: het eigenzinnige taalgebruik, archaïsch en soms wat melig maar vaak ook heel erg geestig. Ze spelen met de plechtstatige taal en de ouderwetse voordracht, letterlijk en figuurlijk. Intussen wordt wel degelijk het verhaal van Jozef in Dothanverteld, nog wel op rijm.

Een ander essentieel kenmerk is het 'toneel op toneel'. Doordat de acteurs voortdurend in en uit hun rol stappen, kijk je steeds naar een dubbelspel: de verlangens, angsten en pijntjes uit de 'echte' wereld schemeren door de dramatische ontwikkelingen van het stuk heen. En de verhoudingen wringen in het echt al net zo hard als die tussen de broers in het toneelstuk. Ze spiegelen elkaar. Veel grappen en grapjes gaan over het vak van toneelspelen zelf: 'Hou het klein', maant de rector de anderen, nadat hij als een briesende leeuw alles en iedereen heeft weggevaagd van het toneel.

Ten slotte: het zijn geweldige acteurs: Bert Bunschoten steelt de show, lijdend als Jozef in de put, met zijn pijnlijke prostaat al kreunend als iemand een vinger naar hem uitsteekt. Hans Thissen vervangt Joep Kruijver, inmiddels met pensioen, en dat doet hij uitstekend. En Wigbolt weet aan het eind toch nog even te ontroeren, als de repetitie voorbij is en hij helemaal alleen achterblijft. Het is geen 'treurspel voor drie mannen en één put', zoals Het Volk zelf zegt, natuurlijk met de nodige ironie, maar een voorstelling waarin Het Volk op zijn best is: met minimale middelen (een omgeknoopte theedoek en een aangeplakt baardje) spelen ze een geestig dubbelspel. Hun sterkste troef is de combinatie van het almaar terugkerend onvermogen van de personages, met een aan naïviteit grenzend optimisme. Die herkenbaarheid levert opnieuw een topavond op, met kolderieke en hilarische momenten.