Vol spanning wachten de achtergebleven revolutionairen op het grote moment, op de harde knal, die uiteindelijk niet komt. Hoe dat kan? De aanslag is mislukt, de bommenwerpers schrokken op het laatste moment terug voor hun daad. Ze wilden wel de groothertog vermoorden maar niet de twee jonge kinderen die bij hem in de koets bleken te zitten.

De Revolutionairen van Albert Camus (in de vertaling vanMax Croiset) speelt in 1905, aan de vooravond van de Russische revolutie en is gebaseerd op historische gebeurtenissen. In februari 1905 organiseerde een groep terroristen van de socialistisch revolutionaire partij een bomaanslag in Moskou tegen groothertog Sergeï. Camus schreef zijn stuk als een moreel onderzoek naar terreurbewegingen, revolutionairen en idealisten. Nu maakt Eline Arbo, die in september 2017 debuteerde bij Toneelschuur Producties met een mooie bewerking van Het lijden van de jonge Werther, opnieuw een theatervoorstelling die is gebaseerd op een klassieke roman over morele dilemma's.

Het hoofdkwartier van de vijf sociaal-revolutionairen met hooggestemde idealen is een armoedige kamer (mooi decor van Juul Dekker), met aan de muur een kaart van het grote Rusland en in de hoek een schilderij van deRussisch-orthodoxe Maagd Maria omgeven door waxinelichtjes. In een andere hoek zit onverstoorbaar een muzikant, een soort lookalike van Neil Young met gitaar, lang haar en een zonnebril, muziek te maken.

De sfeer is gespannen, op het hysterische af. De acteurs spelen extreem uitvergrote personages, met elk een andere Russische touch in de kleding (kostuums: Rebekka Wörmann): de dichter is een overgevoelig, bijna etherisch wezen met witte kniekousen en sandalen; de onverzettelijke vrijheidsstrijder Stepan, net uit een werkkamp teruggekeerd, is een ongelooflijke macho met zijn lange manen, woeste blik en leren jas over ontbloot bovenlijf.

Er kan veel gelachen worden om het overdreven spel; eigenlijk wordt een dubbele laag (met een ironische knipoog) aangebracht want erg serieus kan je deze karikaturale types niet nemen. Dat neemt wel wat weg van de onderliggende problematiek die van alle tijden is. Wat gaat er om in het hoofd van een terrorist, de laatste uren voor een (waarschijnlijk ook voor hemzelf) fatale aanslag? Hoe ver kan je gaan? Laat je de principes prevaleren (de groothertog vertegenwoordigt het Kwaad en hij moet dood, hoe dan ook) of je hart ( zijn kinderen zijn onschuldig). Welk ideaal is het waard om voor te sterven?

Tegen het eind trekt regisseur Eline Arbo met een kunstgreep de voorstelling alsnog de 21ste eeuw in. Een van de spelers stapt uit de kamer en vraagt zich hardop af waar wij vandaag de dag nog voor zouden willen vechten en wat wij eigenlijk nog willen of moeten of kunnen met idealisme. Daarmee komt de voorstelling ineens heel dichtbij.