Helemaal alleen staat hij voor op het toneel en somt in één ellenlange zin de doden, martelpraktijken en andere gruwelen op, om te eindigen met "het ergste van alles wat toen de hals van mijn gitaar brak." Meteen is duidelijk wat voor man 'de tolk van Java' was. 'Mataglap' wordt hij genoemd: een onberekenbare man, doordesemd van een niet aflatende woede, zelf door en door getraumatiseerd als bastaardkind. Hummelinck Stuurman sluit het vierluik over ons koloniale verleden in Nederlands-Indië, na Max Havelaar, Heren van de Thee en De Stille Kracht, af met een bewerking van De tolk van Java.
Birneys autobiografische roman (Libris Literatuurprijs 2017) gaat over het extreme geweld tijdens de dekolonisatie, van onder andere de Nederlandse soldaten in naam van Oranje, en schetst daarmee een onthutsend beeld van onze koloniale geschiedenis. Daarnaast is het een psychologisch verhaal van tirannie en onderdrukking binnen een gezin en van het complexe mechanisme van hoe slachtoffers daders kunnen worden.
In de gestileerde enscenering van bewerker Ignace Cornelissen en regisseur Olivier staat Alan, de zoon van 'de tolk van Java', centraal. Ze hebben gekozen voor een iets andere vertelvorm dan in het boek dat grotendeels uit monologen bestaat: Alan schrijft een boek over het verleden van zijn vader; de andere personages – zijn ouders en zijn oma – doemen op in zijn hoofd. Het is een wat gekunstelde vorm waarvan het slagen voor een groot deel afhangt van de invulling door de hoofdpersoon. Benja Bruijning doet dat bewonderenswaardig goed; hij weet heel mooi te laveren tussen diepe, tragische momenten en een wat luchtiger toon. In een interview vertelt hij zich af of hij als Nederlandse man wel de rol van een Indo met zo'n beladen geschiedenis kan spelen? Dat blijkt geen probleem, integendeel, hij is aanzienlijk geloofwaardiger dan de vader (Martijn Apituley), die waarschijnlijk gecast is vanwege zijn afkomst (hij is trouwens geen Javaan, maar komt van de Molukken), maar een gebrekkige techniek paart aan een slechte tekstbehandeling. Marie Louise Stheins speelt overtuigend de moeder van Alan, het 'Helmondse kamerolifantje', die haar kinderen veel te weinig heeft kunnen beschermen tegen de gewelddadige vader. Een bijzondere ingreep is de rol van de jonge Indonesische Denise Aznam, die als een soort schim – in wit kant met haren tot op de grond – rondwaart in het abstracte decor (Tom Schenk) en daarmee onbedoeld toch weer de sfeer van tempo doeloe oproept, van heimwee naar een paradijselijk verleden.
Een belangrijk bezwaar is dat de voorstelling noch meer inzicht biedt in de gruwelen van deze specifieke oorlog (of die van geweld überhaupt), noch een dramatische ontwikkeling biedt van de personages. De vader kent geen twijfel, geen wroeging, geen gewetensconflict, geen spijt; hij blijft een eendimensionaal personage. De opsomming van gewelddadigheden maakt murw en werkt op den duur slechts afkeer op. Dat kan niet de bedoeling zijn.