"Eigenlijk zou iedereen zich op z'n zeventiende neer moeten schieten, wat daarna volgt zijn alleen maar teleurstellingen". Desiree is de meest sombere van de zes jonge mensen die Ferdinand Bruckner schetste in zijn Krankheit der Jugend (1926), zijn meest succesvolle toneelstuk dat destijds insloeg als een bom. Je zou het een typisch existentialistisch stuk kunnen noemen als Sartre en Camus het existentialisme niet pas twintig jaar later zouden hebben uitgevonden. Het gaat over een groep vrienden die samenwonen in een soort woongroep. Bijna aan het eind van hun studie zijn ze, zowat volwassen oftewel klaar om zich aan te passen aan de burgerlijke normen van huisje boompje beestje. Maar willen ze dat wel? Niet alleen de superslimme maar depressieve Desiree heeft het zwaar om een levenshouding te vinden; ook Marie raakt de weg kwijt wanneer haar vriendje haar inruilt voor een ander. Freder is sowieso al de minst aangepaste: de eeuwige student die zijn heil vooral nog in de fles zoekt en de anderen voortdurend een grimmige lachspiegel voorhoudt. Allemaal zwelgen ze in hun relationele problemen en ze hebben een zeker voor die tijd behoorlijk cynische kijk op het leven. Alleen de bediende Lucy is in al haar naïviteit grenzeloos optimistisch.
De verhouding tussen de aristocratie en het personeel is eigenlijk het enige dat refereert aan een andere tijd. Verder is het bijna angstwekkend modern in de bewerking die regisseur Casper Vandeputte zelf maakte van het oorspronkelijke stuk. Hij regisseert met deels hetzelfde team als waarmee hij vorig jaar het geslaagde Polaroids maakte. Teun Luijkx, die vorig jaar vooral furore maakte dankzij zijn rol als Adam in de televisieserie Adam en Eva, kan ditmaal minder spectaculair uitpakken als de zakkige Teddy. Het zijn vooral de vrouwen die domineren, met name Judith Noyons die de manisch depressieve Desiree angstaanjagend goed speelt en de Vlaamse Alejandra Theus die een prachtrol maakt van Marie. Haar verdriet als ze verlaten wordt door haar vriend, is even ontroerend als haar woede even later hilarisch.
Ook het decorontwerp van Pascal Leboucq is fraai: in het eerste bedrijf hangen rijen vol eenpersoons matrassen in de nok van het theater, gaandeweg valt er een aantal naar beneden om te worden gebruikt wordt als bed of dubbelgevouwen als sofa en aan het begin van het derde en laatste bedrijf dondert de rest met een daverende klap naar beneden. Wat overblijft is een speelvloer vol gebruikte en kapotte matrassen, waar de spelers overheen moeten ploeteren. Of vrolijk trampoline blijven springen zoals Teddy. Het frisse is er wel af bij deze generatie jongeren.