Ze zien eruit als bruiden, als Romeinse senatoren of als goden. De vier hoofrolspelers in Vrijdag dragen lange witte gewaden, het bovenstuk gedecolleteerd en zonder mouwen. De mannen zien er evengoed stoer uit, met blote, sterke armen; de vrouwen mooi en onbezoedeld.
Het is een van de opvallendste stijlkenmerken in Vrijdag (1969), het toneelstuk van Hugo Claus dat volgende week Haarlem aandoet, in een enscenering van het Vlaamse gezelschap De Spelerij. Het stuk is onlangs ook al door Eric de Vroedt geregisseerd in Bochum (Duitsland) en wordt volgend seizoen door het Nationale Toneel gebracht. Een reden voor de klaarblijkelijke populariteit van het stuk zou kunnen zijn de toegenomen belangstelling voor incest en moraal. Hoe dan ook, door de gestileerde kostumering in combinatie met de consequente, strakke regie krijgt deze enscenering van Paula Bangels iets tijdloos.
Onbezoedeld zijn de personages geen van allen, integendeel. Vrijdag begint als Georges (Mathias Sercu) onverwacht wordt vrijgelaten. Hij heeft veertien maanden in de gevangenis gezeten, beschuldigd van incest met zijn toen nog minderjarige dochter Christiane (Lynn van Royen), maar hij komt wegens goed gedrag eerder vrij dan verwacht wordt. Intussen blijkt zijn vrouw (een mooie rol van Eva van der Gucht) een kind van buurman Erik te hebben, die trouwens ook zijn beste vriend is (of was). Niet bepaald een vreugdevolle thuiskomst.
Meteen al in het begin zit de dochter verscholen onder het lange gewaad van vader. Zij speelt het kindvrouwtje dat niet weet hoe verleidelijk ze eigenlijk is. Ze fladdert om hem heen, ze gaat op zijn schoot zitten en springt bovenop hem. De beschuldiging van incest blijkt behoorlijk discutabel, temeer daar de dochter ook reden heeft om wraak te nemen op haar vader. Hij heeft haar verkering de deur gewezen. Spannend is de wijze waarop waarheid en leugen met elkaar verweven worden.
Het hele stuk speelt zich af aan een simpele keukentafel, met als rekwisieten plastic bekertjes waarin de drank (eerst jenever, dan wijn en bier) rijkelijk vloeit. En een mes waarmee Georges dreigend zwaait naar zijn echtgenote en buurman Erik. De agressie van de dubbel bedrogen Georges is voelbaar. Toch ontstaat er ook begrip voor de begeerte en de pure noodzaak het hoofd boven water te houden. Het is een complex spel van schuld en boete, van agressie en inkeer en van lust en weerzin. Uiteindelijk eindigt het stuk enigszins hoopvol en in elk geval heel pragmatisch.
De tekst van Hugo Claus is geschreven in sappig Vlaams en heeft niets aan actualiteit ingeboet. Als altijd vermengt hij banale en obscene details met het tragische en het verhevene. Daarom zijn de kostuums zo goed gekozen. Met minimale middelen is het theater met een maximale impact.