Twee heren die voor onbestemde tijd tot elkaar veroordeeld zijn, het is een van de ijzeren wetten in voorstellingen van Het Volk. In het geval van hun nieuwe voorstelling, Het Vermoeden van Poincaré, gaat het om twee mannen die zijn ingesneeuwd in een op 5585 meter hoogte gelegen Alpenchalet, de 'Gemsenbütel'.
Of eigenlijk is er eerst één man en komt pas later de tweede aangewaaid, een duister type met een zwarte cape over zijn soutane en een zware bril. Tussen de mannen ontstaat een lichtelijk absurd gesprek over waar ze vandaan komen en wat hen drijft. Telkens word je op het verkeerde been gezet maar langzaam maar zeker komen er toch wat gegevens boven water. En daarmee de nodige vragen: is het eigenlijk wel toeval dat die twee mannen daar tegelijk zijn beland? Wat is er gebeurd met de vrouw van de eerste man (Wigbolt Kruijver), Herr geheten (met 2 rollende rr's aan het eind)? Waarom dragen de mannen soutanes over hun identieke lederhosenoutfit met kniekousen en roodgeblokt overhemd? En kent Mess, de tweede man (Bert Bunschoten) misschien de verdwenen vrouw van Herr?
Taal speelt altijd een belangrijke rol in het oeuvre van Het Volk. Taal verbindt de mannen maar laat ook genadeloos zien hoe slecht de twee elkaar begrijpen. Of soms: wensen te begrijpen. Hun taalgebruik is een mix van archaïsch taalgebruik, vol 'nochtans' en 'onweder', en het stelselmatig te berde brengen van clichés zoals 'een verkwikkende nachtrust reinigt lichaam en geest'. De personages hanteren vaak een geheel eigen logica, bijvoorbeeld wanneer twee grootheden naast elkaar gezet worden: "Mijn andere zus is trouwens ook jong overleden. En dan heb ik ook nog een vegetarische nicht."
Bunschoten en Kruijver zijn meesters op de vierkante millimeter en ze kennen elkaar van haver tot gort (om ook maar wat clichés te bezigen, het is aanstekelijk). De taal van hun zelfgeschreven teksten is precies en toont het onvermogen van de mens (en in het bijzonder: van de man), hun grote oerthema.
Het Vermoeden van Poincaré is absurdistischer en heeft een donkere ondertoon; niet voor niks doet de vreemdeling met zijn zwarte cape in het begin aan de Dood denken. De titel is ontleend aan de Franse wiskundige en wetenschapsfilosoof Poincaré (1854-1912), wiens belangrijkste vermoeden tot op de dag van vandaag niet is bewezen. Een wezenlijk tragisch lot.
Gelukkig is de voorstelling vooral een feest van de herkenning want alle Volk-thema's komen weer voorbij, inclusief, voor de kenners, de nodige verwijzingen naar eerder werk. Een mooie toevoeging vormen de (audio)visuele bijdragen van Michael Helmerhorst waardoor een spannende, nieuwe laag ontstaat. Hun chalet heeft één raam, dat uitzicht biedt op de vallende sneeuw, maar ook via videobeelden de gedachtespinsels van de twee mannen laat zien en hun woeste fantasieën.