Wanneer Georges vervroegd thuiskomt uit de gevangenis, staat er een wieg in de huiskamer. De gevangenisdirecteur had het hem al verteld: zijn vrouw Jeanne kreeg tijdens zijn straftijd een kind van buurman Erik. George was veroordeeld wegens het plegen van ontucht met zijn dochter Chistiane. Het incestueuze gehalte in Vrijdag (1969) is hoog.
Sam Bogaerts regisseerde acht jaar geleden Vrijdag bij Toneelgroep Amsterdam, ook toen al met Tania Van Der Sanden. Een belangrijk verschil is dat zij nu beide vrouwenrollen speelt en dat de tien korte scenes waarin Christiane optreedt, zijn samengebald tot een doorlopende, droomachtige sleutelscène. Christiane verschijnt als een mooi, jong meisje dat zindert van erotiek en haar vader welbewust verleidt. "Ik wil een ding zijn", zegt ze, terwijl ze haar spijkerbroek openritst en zich tegen hem aan schurkt. Zij staat symbool voor de veranderende seksuele moraal aan het eind van de jaren zestig, waarin het 'vrijheid blijheid' in de plaats komt van de hypocriete christelijke zedenleer.
Intussen is Georges wel veroordeeld voor zijn zwakheid' en heeft hij boete gedaan. Schuld, boete, offer en reiniging zijn kernbegrippen in dit van katholicisme doordrenkte stuk dat zich afspeelt in een arbeidersmilieu op een bekrompen dorp in West-Vlaanderen. Jeanne is als kapster haar klanten kwijtgeraakt na de veroordeling van haar man en werkt nu in een textielfabriek. Met haar hoog opgedirkte kapsel, haar roze, sexy pakje en idem pumps, die ze thuis verruilt voor roze sloffen, is Jeanne een prototype 'arbeidersvrouwtje' jaren zestig. Buurman Erik heeft een meer hedendaagse dracht: uitpuilende buik in oerlelijk jogging pak, terwijl Georges er sober en tijdloos uitziet met zijn eeuwige muts over zijn oren, waardoor hij nog steeds een gevangenisboef lijkt.
Het stuk speelt zich af op een klein speelvlak dat de huiskamer van de familie Vermeersch verbeeldt, maar door de overvloed aan toneellampen en het lelijke meubilair eerder doet denken aan een postmodern huishouden dan aan een arbeiderswoning uit de jaren zestig. Bogaerts streeft geen naturalisme na, maar een mengeling van realisme en kunstmatigheid, met hier en daar wat vette effecten. Zoals de televisie die Georges wegschopt en die ontploft met een enorme rookontwikkeling. In het spel zijn die wisselingen ook aanwezig: Jobst Schnibbe maakt een echte karikatuur van Eric, Dirk Buyse gaat als Georges meer de diepte in met naturalistisch spel, terwijl Tania Van Der Sanden razendsnel van de ene stijl overschakelt op een andere. Haar beheersing is fenomenaal.
Onder het toeziend oog van een getormenteerde Christus aan het kruis - een schilderij van een gevangenisvriend dat Georges aan de wand spijkert -, vindt de confrontatie tussen man, vrouw en vriend plaats. Door de in en in katholieke symboliek en door de afbakening van het stuk aan het eind van de jaren zestig worden in deze moderne Vlaamse 'klassieker' meer vragen opgeroepen dan beantwoord. Wie is er nu eigenlijk schuldig aan wat? Het lijkt erop of de sympathie van de regisseur bij Georges ligt. Binnen de gecompliceerde verhoudingen ontstaat ondanks of wellicht dankzij veel drank en het dreigende geweld toch een zekere grootmoedigheid van geest en dat maakt deze 'kleine luyden' tot personages die je niet snel zult vergeten.