Hanneke Groenteman besteedde in haar programma een heel uur aan de grote schrijver, je kon geen dag- en weekblad openslaan of er stond een uitgebreid interview in met Edward Albee, het Haarlems Dagblad volgde een week lang het repetitieproces, kortom: de komst van Edward Albee naar Nederland zorgde voor een heuse mediahype.
De verwachtingen waren dan ook hooggespannen op de première-avond in het Amsterdamse Nieuwe de la Martheater. Het begon met een opwarmertje: de wereldpremière van het stuk Old Friends (1996) van Douglas Mitchell, een leerling van Albee. Thematisch is het stuk nauw verbonden met de hoofdschotel van de avond, Zoo Story, het stuk waarmee Albee precies veertig jaar geleden zijn reputatie vestigde. In beide stukken gaat het om een tamelijk willekeurige ontmoeting tussen twee mannen die niet goed afloopt. De onderliggende thematiek is die van het onvermogen tot communicatie en de fundamentele eenzaamheid van de mens.
In Old Friends gaat het om twee oude vrienden die elkaar voor het eerst sinds lange tijd per ongeluk tegen het lijf lopen. Cliff (Leslie de Gruyter) is sjofel gekleed, overduidelijk eenzaam en dolblij zijn ouwe maatje tegen te komen. Joe (Victor Low) spreekt uitermate geaffecteerd, is sjiek gekleed en zowel uit zijn cliché-antwoorden als uit zijn lichaamshouding spreekt afkeer en onwil. Omdat het onvermogen tot daadwerkelijk communiceren er zo duimendik bovenop ligt, ebt de spanning snel weg, al halen de acteurs het uiterste uit de magere rollen.
Net als in het eerste stuk, is het toneelbeeld in Zoo Story uitermate sober: twee houten banken en een prullenbak. De rollen zijn min of meer omgedraaid: de Gruyter speelt Peter, de keurige huisvader met een gezin, een poes en twee parkieten, die elke zondagmiddag in het park op een bankje van zijn welverdiende rust komt genieten. Zijn rust wordt wreed verstoord door de komst van Jerry (Low) die tegen hem aan begint te kletsen, tot de situatie escaleert, met fatale afloop. Jerry is een loner, iemand die losstaat van de maatschappij en met zijn onverwachte, quasi-onschuldige vragen en verhalen de normen en waarden van Peter (lees: de toeschouwer) op losse schroeven zet. Victor Löw maakt er een geweldige rol van: hij komt langzaam op gang, draait als een tijger om zijn slachtoffer heen, schept verwarring, wekt vertrouwen om dat vervolgens wreed te ontkrachten. Door de opsomming van zijn schaarse bezittingen (wel twee fotolijstjes, maar geen foto om erin te stoppen) in zijn miserabele huurkamer wordt in een paar zinnen een raak beeld geschetst van zijn isolement. Het verhaal over de hond van zijn hospita vormt een komisch hoogtepunt. Tegenover het geweld van Löw die flink mag uitpakken, steekt het angsthazige burgermannetje van Leslie de Gruyter enigszins af. Met zijn toegeknepen lippen en billen weet hij in het begin te overtuigen, maar naarmate het stuk vordert en zijn hysterie toeneemt, neemt de geloofwaardigheid van zijn personage af. Het is een zwak punt in Albee's stuk dat desondanks, door de sterke tekst en de intrigerende confrontatie tussen twee ieder op hun eigen manier heel eenzame mannen, veertig jaar na dato niet aan kracht heeft ingeboet.