Suède schoenen vindt hij verschrikkelijk. Suède zit stijf en binnen de kortste keren zitten er vieze vlekken op. Schoenen moeten van leer zijn. Waarom werkt het zo komisch als een landloper met niets dan een paar afgetrapte sandalen aan zijn voeten zich zo stellig uitlaat over het belang van degelijk schoeisel?
/De zwerver in kwestie heet Davies en hij is de hoofdpersoon in Harold Pinter's stuk De Huisbewaarder (The Caretaker), uit 1960 alweer. In Nederland is het stuk onder andere gespeeld met Guus Hermus in de hoofdrol, maar de laatste jaren is het weinig uitgevoerd. Nu brengt Joop van den Ende Theaterproducties De Huisbewaarder uit met John Kraaijkamp in de hoofdrol. Kraaijkamp is de afgelopen jaren uitbundig geprezen als acteur in het serieuze genre (onder andere als King Lear) en het lijkt wel of de rol van Davies speciaal voor hem geschreven is. In zijn sjofele kloffie, met vlassig dun haar en een paar totaal versleten sandalen, heeft Kraaijkamp alles mee om de rol van de enigszins onberekenbare Davies te spelen. De achtergronden van de zwerver blijven mysterieus, hij praat eigenlijk iets te geleerd voor een beroepslandloper. Hij heeft het over de normen en waarden van vroeger, van waar hij vandaan komt. Uit alles wordt echter duidelijk dat hij vooral een klaploper is die tegen beter weten in al zijn hele leven wacht tot het weer omslaat, zodat hij eindelijk op weg kan.
In het stuk krijgt hij onderdak aangeboden door Aston, die in het bouwvallige huis van zijn broer Mick woont. Aston is een lieve jongen, geestelijk labiel en gesloten. Mick is de stoere macho, maatschappelijk de meest geslaagde van de drie mannen, al blijven ook zijn precieze bezigheden in duister gehuld. Zoals in al het werk van Pinter, gaat het vooral om het onvermogen tot communicatie. Mensen praten langs elkaar heen, ze luisteren niet naar de ander maar reageren op wat hen raakt. Op onnavolgbare wijze schakelen de misverstanden zich aaneen en vaak werkt dat heel komisch. Pinter heeft een heel eigen taalgebruik, vol halve zinnetjes en herhalingen die met grote precisie genoteerd zijn.
Het decor doet wat ouderwets, bijna Dickensiaans aan. Het krot, dat Aston voor zijn broer moet opknappen, is volgestouwd met troep. Centraal staan de twee eenpersoonsbedden, bijna machtscentra waarom gevochten wordt. Regen druppelt gestaag in de zinken emmer die aan de houten balken hangt. Het is een naturalistisch decor dat de sfeer van langgeleden oproept, net zoals de ouderwetse kleding.
Het spel is wisselend: Kraaijkamp zet de zwerver Davies subliem neer, maar de andere twee acteurs steken wat bleekjes bij hem af. Alleen als Mark Ram in een lange monoloog over zijn verblijf in een inrichting vertelt, krijgt zijn personage Aston wat meer contour.
In feite zijn het alle drie loosers, die hun eigen droom koesteren. Het zelfbedrog, de hele en halve leugentjes en de schijnmanoeuvres die doorsijpelen in de ogenschijnlijk banale dialogen, zijn herkenbaar, ontroerend en af en toe erg komisch.