'Vandaag word ik een vechter.' Het is het mantra van de gevoelige Eddy die opgroeit in een dorpje in Noord-Frankrijk: zijn vader werkloos en alcoholist, zijn moeder veel te jong moeder geworden, zijn oudere broers even grof en platvloers als de kinderen op school.

In Weg met Eddy Bellegueule (2014) schetst de jonge, Franse schrijver Édouard Louis – wiens oorspronkelijke naam Eddy Bellegueule was – een genadeloos beeld van een arbeidersmilieu: een grotendeels autobiografisch coming-of-age verhaal over een jongen die wanhopig probeert om erbij te horen, om 'normaal' te worden gevonden. 'Vandaag word ik een vechter', oefent hij, boksend voor de spiegel. Van jongs af aan valt hij op met zijn interesse voor meisjeskleren, zijn hoge stem, zijn gebrek aan interesse voor 'echte jongensdingen' zoals voetbal. Wat dat betekent, wordt in korte, schrijnende scènes pijnlijk duidelijk gemaakt: gepest worden op school, getreiterd door de buurtkinderen, geminacht door de vader en genegeerd door de moeder.

Eline Arbo (BNG Bank Theaterprijs 2018) brengt de succesroman nu op toneel in een theatrale en muzikale bewerking. Het is een verpletterende ervaring. Het decor (van Juul Dekker) bestaat uit een soort grot van landbouwplastic, waarin aan de zijkanten alleen wat instrumenten staan. Mede door het fraaie lichtontwerp (Varja Klosse) lijkt het een ademend, soms dreigend organisme, dat de voor Eddy zo dreigende buitenwereld feilloos weergeeft.

Een geniale zet is het om de vier acteurs allemaal de rol van de hoofdpersoon, Eddy Bellegueule te laten spelen (zijn achternaam betekent 'Mooibek', ook iets om flink gepest mee te worden). Op volkomen vanzelfsprekende wijze veranderen de acteurs van karakter: dan is de een verteller en de ander, net nog Eddy, transformeert in de vader van Eddy of de moeder van Eddy, net nog een sigaretten rokend serpent, is ineens een pestende buurjongen. Ze spelen allemaal geweldig, met een feilloos gevoel voor timing. De muziek van Thijs van Vuure lijkt helemaal geschreven op het lijf van de vier jongens die spelen alsof hun leven ervan afhangt en daarnaast ook nog ongelooflijk goed zowel gevoelige ballads brengen als discosongs. De voorstelling kent dezelfde rauwe energie als het boek en is af en toe ook nog erg geestig zoals wanneer de jongens in een schuurtje porno gaan kijken.

Door de hoofdpersoon Eddy niet door één acteur te laten spelen, wordt de aanklacht veel sterker: het is niet een individueel verhaal. In zekere zin zijn wij allemaal Eddy, zeker als we geboren zijn in een gezin waar armoede en geweld domineren, in een maatschappij waarin afkomst en sociale klasse allesbepalend zijn. Eddy weet uiteindelijk uit zijn kooi van landbouwplastic te ontsnappen door toneel te gaan spelen en ver weg van huis een eigen bestaan op te bouwen. Op zijn eigen manier is hij een vechter geworden.