Twee mannen heeft ze tot nu toe gekust en ze is al 'dichterbij de veertig dan bij de dertig'. De kans dat ze nog ontsnapt uit het afgelegen en verpauperde gehucht Leenane aan de Ierse westkust is miniem. Geen wonder dat Maureen opleeft als ze hoort dat de in Engeland werkende buurjongen Pato even terugkeert voor een feest.
The Beauty Queen of Leenane is het eerste deel van De Leenane Trilogie van Martin Mc Donagh, in een regie van regisseur Maren E. Bjørseth (o.a. Een poppenhuis, In wankel evenwicht). Bjørseth houdt van stukken over 'kleine mensen' in een onoverzichtelijk en spijkerharde wereld. Alles is lelijk en goedkoop in het huis van Mag en Maureen (decor: Janne Sterke): een soort kartonnen doos met een oude campingstoel als het meest comfortabele meubelstuk, een wasbak, waarop Mag elke ochtend haar pispot ledigt, die direct loost op de vloer, en een ingebouwde magnetron die zo hoog hangt dat niemand erbij kan. Het zijn dit soort kleine, absurdistische details waarmee Bjørseth het stuk uit het grimmige realisme trekt. Ook de kostuums (Daphne de Winkel) zijn verpletterend van lelijkheid: Mag draagt een panterlegging onder een veel te grote fleece rendierentrui, met daaronder al even foute sokken; de feestjurk die Maureen koopt voor het feest doet pijn aan je ogen, te klein en te opzichtig met die feeststrikken die vergeefs getuigen van haar hoop en verwachting.
Het is dan ook een ware hel in die kale woonkamer waar de twee vrouwen elkaar om het hardst beschimpen en bestrijden. Een verbaal gevecht dat lijkt op een bokswedstrijd waarbij de opponenten streven naar een totale knock-out. Keja Klaasje Kwestro speelt fantastisch als Maureen: haar hoop om te ontsnappen uit de grauwe armoede – fysiek maar zeker ook emotioneel – , haar hunkering naar liefde, haar woede om de verstikkende greep waarin haar moeder haar houdt, maar ook de berusting waarmee ze elke keer opnieuw pap voor haar maakt; het is fenomenaal hoe zij schakelt. Jacqueline Blom is al even goed als de in en in gemene moeder die Maureen chanteert en er met list en bedrog voor zorgt dat de mogelijke uitweg voor haar dochter – een toekomst met Pato in het verre Amerika – wordt verijdeld. Een belangrijke bijdrage wordt geleverd door de muziek van de Space Cowboys: evergreens, popsongs, hunkerende liefdesliedjes en af en toe alleen een saxofoon of een klarinet die een scène kleur geeft. Bijna als het Griekse koor fungeren zij in hun witte pakken en cowboyhoeden: soms begeleiden ze de handeling, soms geven ze een tegenkleur aan en soms lijken ze op te porren tot actie.
Het is opnieuw een bijzonder geslaagde productie waarin Bjørseth behendig laveert tussen al te gemakkelijk en vet volkstoneel en een teveel aan absurdisme, waarmee ze de tragiek van haar personages om zeep zou helpen. The Beauty Queen of Leenane is grimmig en gruwelijk, maar ook buitengewoon grappig en ontroerend theater.