De grote vraag is altijd: is het boek beter dan de film of andersom? In dit geval: is een toneelbewerking van het beroemde boek van Bordewijk nog wel nodig als er al zo'n goede film van is gemaakt, met een Oscar bekroond? Tegen de sterke beelden van Jan Decleir en Fedja van Huet opboksen, dat is een hele opgave. De verwachtingen waren dan ook hooggespannen bij de première van Karakter, in een bewerking en regie door Ger Thijs. Het verhaal over de botsing tussen drie in en in koppige karakters is door Thijs stevig bewerkt. De belangrijkste toevoeging zijn de kantoorscènes, die een veel prominentere plek hebben gekregen en zorgen voor veel humor. Met name Jules Croiset en George van Houts spelen ouderwets lekker toneel, in de goede zin des woords.
De confrontaties tussen Dreverhave, de gevreesde deurwaarder (Joost Prinsen) en Katadreuffe, zijn 'bastaardzoon' (Waldemar Torenstra), komen minder goed uit de verf. De personages blijven wat aan de oppervlakte: allebei worden ze geleid door blinde ambitie en ijzeren discipline, maar ze krijgen weinig tegenkleur. Dreverhave is de slechterik en Katadreuffe is een soort Kees de Jongen. Hij vertegenwoordigt het vooruitgangsdenken en hij is braver dan wie dan ook. Ook de rol van de moeder, Joba (Marie-Louise Stheins), is psychologisch weinig uitgediept. Stil en koppig weigert ze de vader van haar kind te trouwen en zelfs elke financiële bijdrage. Haar karakter zit haar net zo in de weg als dat van Dreverhave en haar zoon.
Heet toneelbeeld is eenvoudig. Zijlicht schijnt op de sobere eettafel die de woonkamer van moeder Joba verbeeldt en aan de andere kant staan wat bureaus: het kantoor waar zoonlief zijn carrière begint. De enscenering is licht gestileerd; de verwijzingen naar de jaren dertig van de vorige eeuw, waarin Karakter zich afspeelt, zijn geabstraheerd. Opvallend is het gebrek aan kleur in de voorstelling, overigens zonder dat deze kleurloos wordt. Afgezien van de rode lippen van Jara Lucieer (het kantoormeisje waarop Katadreuffe verliefd wordt maar wiens liefde hij versmaadt omdat hij alles opoffert aan zijn ambitie), een rode procesmap en een vrolijke cadeaustrik is alles zwart, wit of grijs in deze voorstelling.
Karakter begint wat stroef, met het hele ensemble op het voortoneel, om beurten optredend als verteller. Dat oogt statisch en log. Op een aantal momenten wringt ook de overgang van vertelstijl van de eerste persoon naar de derde persoon enkelvoud. Middenin een scène begint iemand dan over zichzelf te praten als verteller. 'Hij keek voor het eerst in haar ogen', zegt bijvoorbeeld Dreverhave bij de eerste confrontatie met Joba, terwijl hij haar in de ogen kijkt. Dat werkt licht vervreemdend.
Desondanks, het antwoord op de grote vraag, is de toneelversie van Karakter absoluut de moeite waard.
Totaal anders dan de film, is Ger Thijs er in geslaagd een eigen werkelijkheid te creëren die recht doet aan het boek. Ongetwijfeld een nieuw publiekssucces voor producent Hummelinck Stuurman, die Karakter uitbrengt als eerste deel van een nieuwe serie Nederlandse Klassiekers.