Als hij van haar ter verwelkoming een bonsaiboompje cadeau krijgt, omhelst hij even haar benen. Veel verder komt hij niet want hij bevindt zich onder de tafel. Dragomir is de nieuwe onderhuurder, in de meest letterlijke zin: hij huurt de ruimte onder de tafel van Florence. Hij stelt haar gerust als ze zich zorgen maakt over de geringe afmetingen van zijn nieuwe verblijfplaats; hij heeft het wel kleiner meegemaakt.
Langzaam maar zeker ontstaat er een warme relatie tussen haar van boven en hem van onder de tafel. Hij voelt zich thuis tussen haar benen en speelt autootje met haar pumps. Mooi wordt de wederzijds opbloeiende seksuele interesse gedemonstreerd als zij naar beneden afzakt om een knoopje te zoeken. Door allerlei personen van buitenaf echter wordt hun ontluikende liefde geblokkeerd: Dragomir krijgt bezoek van een vioolspelende landgenoot die bij hem intrekt en Florence wordt het hof gemaakt door haar welgestelde uitgever. Een bezorgde, of is het jaloerse, vriendin biedt ten slotte de onderhuurders een gratis kamer aan in haar royale appartement. Weg Dragomir, weg hartstocht en passie.
Aan het eind komt alles goed in dit bizarre sprookje van Roland Topor, waarin wel wat realistische elementen voorkomen (asielzoekers uit een ver en arm land, de keuze tussen hart en verstand), maar dat het vooral moet hebben van de geestige dialogen en absurdistische situaties.
Jennifer Drabble, die in 1997 debuteerde bij de Toneelschuur heeft het stuk strak gestileerd. De personages gedragen zich als stripfiguren, met name Dragomir en zijn gast. Ze zijn identiek gekleed in blauwe pullovers, halflange broeken en slippers en voorzien van een Kuifjesachtige pruik. Dragomir is een soort Flipje uit Tiel, van een onwereldse braafheid: onbekommerd, naief en onberispelijk. Van zijn landgenoot gaat wat meer dreiging uit, zoals hij zich zogenaamd grappig als een aap gedraagt tegenover de gastvrouw of van onder de tafel "En we gaan nog niet naar huis! " begint te zingen. Van psychologische invulling van personages is echter geen sprake, het zijn eendimensionale, uitvergrote tekenfilmfiguren. De droogkomische manier waarop ze op elkaar reageren, knap volgenouden in een strakke mise en scene, maakt van De winter onder de tafel een geestig en absurdistisch stripverhaal.