Het openingsbeeld is prachtig: het decor bestaat uit een negen treden tellende, gele trap over de hele breedte van het toneel. Erboven blauwe lucht, omfloerst door wolkjes rook; half achter de trap gaat het koor schuil dat bestaat uit zes personen, met kaalgeschoren en versierde hoofden en gekleed in vrijwel identieke witte slobberpakken. Op de trap zit Megara, de vrouw van Herakles met haar drie zoontjes en links op de voorgrond staat Amphitryon, de vader van Herakles (Gijs de Lange). In een lange, heldere monoloog beschrijft hij de penibele situatie waarin zij verkeren, sinds Lykos de vader van Megara heeft gedood en de macht in Thebe heeft overgenomen. Herakles is weg, al heel lang, en niemand weet of hij nog leeft.

Lykos (een mooi slechte Hans Kesting) windt er geen doekjes om: vandaag nog zal de familie van Herakles worden omgebracht. Verbanning vindt hij een veel te slappe oplossing, die zonen komen anders toch maar wraak nemen op een kwade dag.

En zo begint het drama meteen al keelsnoerend. Lineke Rijxman speelt de rol van Megara sterk: vol ingehouden kracht en woede tegen de wrede Lykos, wanhopig als ze zich voorstelt wie van haar drie zonen ze straks op het laatst tegen haar borst moet drukken. Op het moment dat hun dood onafwendbaar lijkt, verschijnt tatatatata! dan toch nog de held Herakles, stoffig en besmeurd van al zijn heldendaden, en brengt redding.

In plaats van een vreugdevolle hereniging slaat het noodlot dan pas echt toe. De godin Hera, nog altijd haatdragend omdat Herakles het resultaat is van een buitenechtelijke relatie van Zeus, slaat Herakles met waanzin. In die waan doodt hij zijn vrouw en kinderen, in de veronderstelling dat zij vijanden zijn. Het is wat veel van het goede: de ene verschrikkelijke tragedie volgt de andere op, zonder dat de (hedendaagse) toeschouwer de kans krijgt dat mee te beleven. Het is een drama dat in feite bestaat uit twee langdurige jammerklachten, eerst die van Megara en Amphitryon, dan die van Herakles zelf.

Vooral dat laatste deel mist overtuigingskracht en dat ligt voor een belangrijk deel aan het spel van de jonge Jasper Boeke die als Herakles in de schaduw blijft van giganten als Lineke Rijxman, Kitty Courbois en Gijs de Lange.

Een mooie rol is weggelegd voor het koor. Boudewijn Tarenskeen laat het koor ergens tussen zingen en spreken in zingzeggen', waarbij zowel ruimte is voor individuele bijdragen als voor fraaie harmonische lijnen. De aan butoh-dans referende esthetiek- de kale hoofden, de sobere, lichte kleding en de gestileerde bewegingen- versterkt de dramatische zeggingskracht nog. Aan fraaie stilering geen gebrek in deze Herakles, wel uiteindelijk aan ontroering.