Een vrouwenstem beschrijft langzaam en gedetailleerd de vondst van drie dode mannenlichamen. Intussen gaan de drie acteurs zitten, op houten stoelen naast elkaar, en kijken wat rond. Hun voeten zijn bloot, aan de grote teen hangt een mortuariumkaartje met een nummer erop. Kennelijk verblijven zij in een soort niemandsland tussen leven en dood.

Op de eerste avond van het door De Tijd gepresenteerde tweeluik van Paul Pourveur in regie van Lucas Vandervost wordt Vaders en Zonen gespeeld. De tekst is grotendeels gebaseerd op herinneringen van de drie acteurs: Dirk Buyse, Wim van der Grijn en Lucas Vandervost zelf. In Noorderlicht, het tweede stuk, laat de schrijver Paul Pourveur drie personages bijeenkomen in een hotellounge in Brussel, in afwachting van een uitspraak die hun vertrouwde wereldbeeld zal doen kantelen. Bij elkaar vormen de twee stukken een mooi tweeluik: een dubbelspel voor hoofd en hart.

In Vaders en Zonen wordt vooral het hart beroerd. De herinneringen die de drie personages prijsgeven zijn broos, kleine verhaaltjes die in eerste instantie nauwelijks de moeite waard lijken om verteld te worden. Door de intieme en directe speelstijl worden het stuk voor stuk juweeltjes, soms grappig, soms ontroerend. Dirk Buyse is de meest nostalgische van de drie. "Ik had iemand willen worden zoals nooit iemand anders geweest was", citeert hij Peter Handke. Zijn herinneringen heeft hij gedeeltelijk bij zich in een koffer: glazen potjes met vingerafdrukken of gevuld met zeewater en voorzien van een etiket (Blankenberge, 1961). Hij snuift de geur op en voelt zich weer even een kleine jongen aan het Noordzeestrand.

Wim van der Grijn is het meest de acteur van de drie, hoewel ook hij heel persoonlijke verhalen vertelt: hoe hij zijn vader, oud en ziek, moest ondersteunen bij het lopen en zich toen opeens realiseerde dat hij langgeleden precies zo liep met zijn kleine zoontje. De cirkel was rond. Lucas Vandervost zorgt voor de meest komische momenten. Hij vertelt over zijn kindertijd: doktertje spelen heeft hij nooit gedaan, maar weleens de buik van zijn zusje ingesmeerd met nootmuskaat. En wat hij toen rook? Bloemkool!

Zo nu en dan worden de mannen om beurten door een gebiedende vrouwenstem naar achteren geroepen, waar zij kennelijk opgelucht vandaan komen. Alsof zij, ook al zijn ze kennelijk dood, zolang zij nog niet geidentificeerd zijn, door kunnen gaan met het ophalen van hun herinneringen.

In Noorderlicht buigen een wetenschapper, een paleo-antropoloog en een receptionist zich over het onzekerheidsprincipe'. Tijdens het wachten op het oordeel van Einstein over de theorie van de quantummechanica, brengen zij een slapeloze nacht door in Hotel Metropool in Brussel. Weten is meten en meten is verstoren', is het motto van de quantummechanica. Wanneer de vraag of een electron nu een golf is of een deeltje niet meer kan worden beantwoord omdat het afhangt van wie welke waarneming doet, wordt het denken over werkelijkheid en waarneming ondermijnd. Pourveur speelt in zijn tekst op geestige wijze met filosofische kwesties en voert zo het intellect, zonder dat zijn stuk tot een schematische invuloefening wordt. In 32 scenes, metingen genoemd, wordt heen en weer geschwitst in die lange nacht.

De paleo-antropoloog zit in de hotellounge vergeefs te wachten op een beslissend telefoontje van zijn verloofde, terwijl hij intussen droomt van de vondst van de resten van de allereerste vrouw op aarde, door hem bij voorbaat al Nadine gedoopt, net als zijn verloofde. De wetenschapper beent heen en weer naar de verschillende conferentiekamers, waar de spanning steeds hoger oploopt en de hotelreceptionist vecht intussen tegen de slaap. Waar de andere twee personages meer schematische invullingen zijn van een abstract idee, krijgt de hotelreceptionist het meest duidelijk gestalte. Onder zijn keurige, blauwe pet zit de angst. Zijn verleden in de loopgraven achtervolgt hem nog steeds en alleen in een supercorrect optreden in zijn perfecte' hotel ("In Hotel Metropole bestaan geen misverstanden.") hervindt hij een nieuw evenwicht. Lucas Vandervost speelt met dezelfde intensiteit en intimiteit als in Vaders en Zonen en vormt daarmee de verbindende factor in deze twee boeiende, elkaar aanvullende voorstellingen.