"De mooie dingen, die hou je bij je en de lelijke, die doe je weg". De oude vrouw herinnert zich wat haar moeder altijd zei, als het tegenzat in het leven. Een wijze raad, waar ze zich in heeft kunnen vinden. Terwijl ze zachtjes voor zich uit prevelt, cirkelen twee jongens -haar kleinzonen- om haar heen. Hun spel wordt steeds woester: ze trekken hun kleren uit en gesticuleren hevig. De een speelt een baby die geboren wordt, met veel theatraal gekreun en getrek aan de pyjama die hij over zijn hoofd heeft getrokken, de ander begint te stangen.

Gods wachtkamer is de nieuwe voorstelling van Carver. Na het succes van Wankel Evenwicht van Edward Albee vorig jaar komt het gezelschap nu opnieuw met een voorstelling op basis van een bestaande tekst. Gerardjan Rijnders schreef het stuk, naar een idee van Beppie Melissen en, zoals altijd bij Carver, met een persoonlijke inbreng van alle betrokkenen. In Gods wachtkamer staat de relatie van een dochter met haar oude en dementerende moeder centraal. Tussen de twee vrouwen speelt zich een aantal herkenbare scėnes af: de dochter gaat op bezoek bij haar moeder, ze probeert haar te helpen of te plezieren en dat is vrijwel altijd vergeefs en hopeloos frustrerend. Zoals de eenvoudige vraag: "Waar heb je meer zin in, koffie of thee?", die doorgaans wordt beantwoord met "Wat wil jij liever?", waarop volgt: "Nee lieverd, jij mag het zeggen." enzovoort en zo verder. Om gek van te worden. Vaak vervalt de oude moeder in monologen die nauwelijks tot iemand gericht lijken, een monotoon prevelen van steeds dezelfde zinnetjes, als een soort mantra: "Als je erover nadenkt, dat is ook erg, toch? Als je erover nadenkt....".

Verrassend genoeg speelt Joke Tjalsma de oude moeder en dat doet ze heel mooi. Haar benen pontificaal op de grond geplant, de rug recht, de blik onverzettelijk en een tikje verongelijkt, zoals oude mensen soms kunnen kijken, de wereld bij voorbaat wantrouwend omdat ze niet meer weten wie of wat ze nog kunnen geloven. Zacht is ze maar niet gek: zij laat niet met zich sollen. Beppie Melissen speelt overtuigend de rol van de dochter: knap balancerend tussen enerzijds geduld, liefde en mededogen en anderzijds een verschrikkelijke hoop woede, frustratie en wanhoop.

Tegenover de vrouwen staan twee jonge jongens, die soms de kleinzoons spelen maar soms ook als abstracte figuren worden ingezet of als een manifestatie van mannelijke energie en jeugdige oerkracht: ze beuken met elkaar en met het meubilair, ze rennen rond en ze maken een ongelooflijke hoop herrie. Erg geestig is de scėne waarin zij zich in een soort katoenen zakken hebben gehuld en abstracte poses aannemen, een hedendaagse variatie op Martha Graham's Lamentation. Af en toe piept er een elleboog of een ander onverwacht lichaamsdeel uit de zak, een prachtig beeld dat het moeizame gesprek tussen moeder en dochter dat zich voor hun neus afspeelt, relativeert en becommentarieert. Zonder die scėnes zou Gods wachtkamer veel te zwaar zijn geworden.

De voorstelling kent mooie beelden, maar ook zwakkere momenten. Niet altijd levert het contrast tussen ouderdom en jeugd een interessante dramatische spanning op. Het slotbeeld is theatraal: in een 'toneel op toneel' zien we drie oude mensen een onbeholpen dansje doen. De oude moeder heeft intussen Gods wachtkamer verlaten en wordt met veel ėgards naar de hemel geloodst. De dochter gaat op de plaats van haar moeder zitten. De cirkel is rond.