Het is een fenomeen, Henk van Ulsen. Bijna tachtig en een gelouwerd acteur met onder andere twee Louis d'Ors en de Albert van Dalsumprijs op zijn naam. Zijn beroemdste stuk is waarschijnlijk Dagboek van een gek van Gogol, waarmee hij vele jaren heeft rondgetourd. Nu staat hij opnieuw in de planken in een solovoorstelling naar een beroemde literaire tekst, Dood in Venetiënaar de novelle van Thomas Mann uit 1912. In 1971 maakte Visconti een beroemd geworden filmberwerking met in de hoofdrol Dirk Bogarde.

Anders dan in bijvoorbeeld Dagboek van een gek doet van Ulsen in deze voorstelling geen poging in de huid van zijn personage te kruipen.Hij komt op in spijkerboek en trui, een blauwe alpinopet op zijn hoofd en begint een verhaal te vertellen. Rechts op het podium zit een technicus die geluid, video en de sporadische projecties regelt, links voor op het toneel zit Henk van Ulsen achter een eenvoudige houten tafel. Een rij blauwe flessen tussen hen in vormt het enige rekwisiet verder.

Het grootste deel van de voorstelling wordt het gezicht van de acteur levensgroot geprojecteerd op het achterdoek, eigenlijk het meest indringende van de voorstelling. Een probleem bij de voorstelling in Velsen was dat de microfoon slecht stond afgesteld waardoor de kwaliteit van het geluid te wensen overliet. Niet onbelangrijk bij een voorstelling waarin anderhalf uur niets anders gebeurt dan dat iemand een verhaal vertelt.

Desondanks slaagt van Ulsen erin te boeien met het verhaal van de schrijver van Aschenbach, een gevierd schrijver die in een creatieve crisis terecht komt. Hij wordt geobsedeerd door de schoonheid van een Poolse jongen die hij leert kennen tijdens zijn verblijf in Venetië.