Het begint met stilte. De drie spelers betreden een voor een het podium. De cellist neemt plaats achter zijn instrument, de danseres doet haar hoge hakken uit en loopt op blote voeten naar een stoel in de andere hoek, en als laatste schrijdt Marlies Heuer naar voren. Of eigenlijk is het iets tussen schuifelen en schrijden in wat zij doet, voetje voor voetje. Met haar witte kanten kraag, witte handschoenen en haar lange, donkerblauwe ruisende rok is zij een imposante verschijning. Ze gaat zitten in het midden van het toneel en beweegt alleen heel traag haar handen. Lang, heel lang blijft het stil, ook in de zaal hoor je geen kuchje, geen ritselend papiertje. Heel geconcentreerd is de stilte die Marlies Heuer afdwingt met haar tastende handen. Tot de cello klinkt, heel teder, de danseres een diagonaal rent en Heuer begint te spreken, traag en langzaam.
Met z'n drieën vertellen zij in muziek, woord en beweging het levensverhaal van Maria de Neufville (1699-1779), lid van een bekende doopsgezinde familie in het achttiende-eeuwse Amsterdam. Ze schreef in uitermate beknopte stijl Verhaal van myn droevig leeven, een soort dagboekaantekeningen over haar inderdaad nogal treurige levensloop, waarin de dood een grote rol speelde. De een na de ander ontvalt haar, op jonge leeftijd al haar geliefde vader, later ook haar moeder zodat ze met haar broers en zussen als wees achterblijft. Ondanks de nodige 'pretendanten' (aanbidders) blijft ze alleenstaand en als ze dan eindelijk op haar 44ste in het huwelijk zal treden, sterft ook haar aanstaande bruidegom Abraham Bierens nog voor het zover is. Hij laat haar wel wat geld na zodat ze ergens buiten kan gaan wonen met haar lievelingsnichtje Maria Petronella die, u raadt het al, ook helaas niet oud mag worden.
Heuer vertelt haar droevige relaas in de oorspronkelijke taal: 'En die allerwreeste, onverbiddelijke dood nam mijn bruygom ook so allerbitterst van mijn (…), mijn bruydskleet was al in de maak. O dood, o dood, wat heeft gij mijn al traane en droefheyd gekost!' Dat doet ze heel knap, in zachte zinnen die de op haar leven terugblikkende Maria de Neufville heel dichtbij brengen, af en toe begeleid door of juist afgewisseld met cellomuziek die van heel diep lijkt te komen. In dat duet is de danseres soms bijna teveel: haar bewegingen echoën het verhaal, zonder een contrapunt te vormen. Dat is ook een bezwaar tegen de voorstelling als geheel: het is mooi gedaan, heel sereen maar na een poosje snak je naar een beetje lichtheid of leven. Je zou willen dat Maria het ook nog weleens over de ontluikende krokussen zou hebben of over iets anders wat haar enige vreugde heeft gebracht. In de keuze die gemaakt is, drukt de zwaarmoedigheid wel heel erg terneer.