Te midden van de kisten en oude planken ligt een levensgroot Mariabeeld gewikkeld in bubbeltjesplastic, de voeten omsnoerd met brede bruine tape. Een onttakelde indruk maakt het geheel. De drie monniken zijn gehuld in wijde pijen die ooit wit moeten zijn geweest maar inmiddels zijn verkleurd en versleten. Zij zijn de laatst overgeblevenen van het ooit bloeiende Kartuizerklooster en nu moeten ook zij het klooster verlaten, na drieëndertig jaar trouwe dienst.

De Vlaamse schrijver Bernard Dewulf (Libris Literatuurprijs 2010) schreef de tekst van Drie monniken op uitnodiging van Floor Huygen, artistiek leider van Artemis. Zij is gefascineerd door het monnikenbestaan, dat haaks staat op het jachtige en gestreste moderne leven. Stilte en contemplatie zijn zeldzame waarden geworden, waar blijkens de vele tijdschriften en cursussen mindfulness veel mensen naar op zoek zijn. Het uitgangspunt voor Drie monniken is dan ook interessant genoeg. Helaas stelt de tekst van Dewulf teleur. In het programma stelt hij een sleutel te hebben gevonden in het werk van Beckett, met name in Wachten op Godot en Eindspel , maar dat niveau haalt zijn tekst bij lange na niet. Wat zeggen mensen tegen elkaar nadat ze zoveel jaar hun dagen samen hebben gesleten in opperste zwijgzaamheid? Spreken is voor de Kartuizer monniken, een van de strengste kloosterorden, slechts eenmaal per week gedurende een uur toegestaan en dan nog onder allerlei restricties. Wat doet dat met mensen, zo lang zwijgen? Kunnen ze nog wel een 'normaal' gesprek voeren? Je verwacht na zoveel jaar gecondenseerde en gestolde woorden van een diep filosofisch gehalte, statements vol zingeving, heilige taal. Of juist misschien een kakofonie aan woorden die al die tijd niet gesproken mochten worden, een aanval van verbale vuilspuiterij. De teksten van Dewulf zijn geen van beide, heilig noch blasfemisch. Ze kabbelen een beetje, suggereren diepgang door veel te herhalen en als de monniken uiteindelijk gaan praten, zijn hun teksten tamelijk obligaat en voorspelbaar.

Gelukkig is er een ijzersterke cast met Bert Luppes, Titus Muizelaar en met Paul Koek als de nog steeds zwijgende maar muzikaal des te meer bijdragende derde. Hij speelt een tikje boosaardige giechelmonnik en loopt rond, op inventieve wijze muziek makend met alles wat los en vast zit. Muziek die zowel aan religieuze gevoelens als aan het profane refereert, van Radar Love tot Requiem. De voorstelling wordt op locatie gespeeld op drie plekken in Nederland, in het Zonnehuis in Amsterdam Noord, in Leiden en in Den Bosch. In het Zonnehuis zit het publiek om het speelvlak heen dat bestaat uit oude planken, kisten en trapjes. Het meest genietbaar zijn de momenten van religieuze rituelen, stilte en zang. Mooi, die stilte.